Van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van de Beklamel-norm (waarbij het gaat om de vraag of de bestuurder bij het aangaan van de opdrachten wist of had moeten weten dat de vennootschappen hun betalingsverplichtingen niet zouden kunnen nakomen) is in dit geval geen sprake, oordeelt de rechtbank. Daarbij is de speciale positie van de accountant relevant. Het gegeven dat Stolp+KAB zelf als accountant volledig inzicht had in de financiële positie van haar cliënten maakt dat er van een kennisverschil (het ten onrechte wekken van de schijn van kredietwaardigheid) geen sprake is.
Werkzaamheden voor diverse entiteiten
Het Voorburgse Stolp+KAB verrichtte sinds 2020 uiteenlopende werkzaamheden voor de vennootschappen van de ondernemer, waaronder samenstellingsopdrachten, het verzorgen van salarisadministratie en het opstellen van aangiften inkomsten- en vennootschapsbelasting. Daarbij werden ook jaarlijks de inkomstenbelastingaangiften van de ondernemer en diens partner verzorgd.
De werkzaamheden vloeiden voort uit een in 2020 ondertekende offerte en een latere, in 2023 uitgebrachte maar niet-ondertekende opdrachtbevestiging. Toen meerdere facturen, met een totaalbedrag van circa € 67.000, onbetaald bleven en een voorgestelde betalingsregeling niet tot stand kwam, stapte Stolp+KAB naar de rechter.
Vennootschappen niet verschenen, vorderingen toegewezen
Twee betrokken vennootschappen, waaronder TPH Invest B.V., lieten verstek gaan. De rechtbank wees de vorderingen jegens deze vennootschappen grotendeels toe. De procedure jegens Quality Food Group US B.V. werd van rechtswege geschorst op grond van artikel 29 Faillissementswet, omdat inmiddels het faillissement was uitgesproken en de vordering daarmee gericht is op de failliete boedel. Daarmee was de gerechtelijke procedure voor het accountantskantoor dus wel behoorlijk succesvol.
Geen opdrachtgeverschap in privé
Ten aanzien van de ondernemer in privé betoogde Stolp+KAB primair dat sprake was van mede-opdrachtgeverschap, nu ook zijn privé-aangiften werden verzorgd. De rechtbank ging hier echter niet in mee. De opdrachtbevestiging uit 2020 was gericht aan een vennootschap waarvan de ondernemer bestuurder was, en de latere offerte uit 2023 was evenmin op zijn naam gesteld of door hem in privé ondertekend. Ook de facturen stonden op naam van de vennootschappen. Dat de vennootschappen niet gebaat zijn geweest bij de werkzaamheden voor de ondernemer en zijn partner in privé maakt niet dat zij daarvoor niet de opdracht hebben kunnen geven.
Dat in het dienstenpakket ook privéwerkzaamheden zaten, maakte de ondernemer volgens de rechtbank nog geen contractspartij in privé: ‘Het feit dat de werkzaamheden voor [naam 1] in privé genoemd zijn in de offertes maakt, anders dan door Stolp+KAB betoogd, juist niet dat aangenomen moet worden dat hij de opdracht (mede) in privé heeft gegeven. Het feit dat die werkzaamheden in de offerte genoemd zijn geeft steun aan de stelling van [naam 1] dat ook deze werkzaamheden in opdracht van en voor rekening van de vennootschappen werden uitgevoerd. Daarbij komt dat Stolp+KAB in deze procedure alle openstaande facturen als één vordering benadert. Er is geen onderscheid gemaakt tussen de kosten voor de werkzaamheden voor [naam 1] in privé en de overige kosten. Ook dat is een aanwijzing dat de werkzaamheden in opdracht van en voor rekening van [bedrijfsnaam], dan wel een van de andere vennootschappen, zijn verricht.’
In het licht daarvan is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat de ondernemer in privé (op zijn minst) opdrachtgever is ten aanzien van de ten gunste van hem verrichte werkzaamheden. De vordering van Stolp+KAB kan daarom niet op grond van nakoming worden toegewezen, luidt de conclusie.
Bestuurdersaansprakelijkheid: Beklamel-norm niet van toepassing
Subsidiair deed Stolp+KAB een beroep op bestuurdersaansprakelijkheid op grond van de Beklamel-norm: de stelling dat de bestuurder bij het aangaan van de opdrachten wist of had moeten weten dat de vennootschappen hun betalingsverplichtingen niet zouden kunnen nakomen. Ook dat verweer hield bij de rechtbank echter geen stand.
Hoewel er betalingsproblemen waren en het idee van een WHOA-traject in 2023 even is overwogen, werd destijds juist extra kapitaal aangetrokken, hetgeen volgens de rechtbank pleitte voor voortzetting van de bedrijfsvoering met het oog op herstel, en niet voor wetenschap van betalingsonmacht. De WHOA-procedure werd pas medio 2024 daadwerkelijk opgestart, na het merendeel van de werkzaamheden door Stolp+KAB.
Accountant heeft al inzicht in financiën
De rechtbank benadrukt daarbij het bijzondere gegeven dat Stolp+KAB zelf als accountant volledig inzicht had in de financiële positie van haar cliënten. Eventuele risico’s had het kantoor daardoor zelf kunnen inschatten. Dat speelt een belangrijke rol bij het afbakenen van bestuurdersaansprakelijkheid bij dienstverlening door accountants: ‘Daarbij komt dat het bij aansprakelijkheid op de Beklamel-grond aankomt op een verschil in kennis tussen de namens de vennootschap handelend bestuurder en de wederpartij. Indien de bestuurder beschikt over zodanige informatie dat hij weet of behoort te begrijpen dat de vennootschap haar verplichtingen niet zal kunnen nakomen en geen verhaal zal bieden voor de daaruit voortvloeiende schade, handelt hij onrechtmatig door zonder die informatie te delen namens de vennootschap de overeenkomst aan te gaan. Daardoor wordt immers ten onrechte de schijn van kredietwaardigheid van die vennootschap gewekt. Indien echter de wederpartij – helemaal als dat een professional is zoals in dit geval – ongeveer net zoveel informatie heeft over de financiële toestand van de vennootschap met wie zij handelt, kan niet zonder meer gezegd worden dat die bestuurder onrechtmatig handelt indien de bestuurder (toch) namens de vennootschap de overeenkomst sluit. In dat geval immers kan ook de wederpartij van de vennootschap (naar objectieve maatstaven te beoordelen) verwachten dat de vennootschap niet zou kunnen nakomen en geen verhaal biedt. Van het wekken van schijn van kredietwaardigheid, althans van een gerechtvaardigd vertrouwen daarop, is dan niet zonder meer sprake.’
Die situatie doet zich hier voor, oordeelt de rechtbank, ‘voor zover Stolp+KAB zich erop beroept dat [de ondernemer, red.] uit de, door Stolp+KAB zelf opgestelde, jaarcijfers had moeten afleiden dat de vennootschappen (vanaf dat moment) nieuw aangegane verplichtingen niet meer zouden kunnen nakomen. Dat Stolp+KAB in weerwil daarvan toch werkzaamheden voor de vennootschappen is blijven uitvoeren kan ook worden opgevat als een commerciële keuze, waarvan [de ondernemer, red.] niet zonder meer het risico hoeft te dragen.
De rechtbank wijst de vordering tegen de ondernemer in privé volledig af. Stolp+KAB moet diens volledige proceskosten à € 2.693 voldoen, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente. De vorderingen van de vennootschappen worden wel grotendeels toegewezen.