Een sauna annex seksclub en een stichting stortten tussen februari 2016 en maart 2017 bijna 4,8 miljoen euro contant bij ING. Opvallend detail: €735.000 daarvan werd gestort in 1.210 biljetten van €500, en €130.000 in 650 biljetten van €200. Deze coupures zijn niet uit een pinautomaat verkrijgbaar en worden vaak in het criminele circuit gebruikt. Nadat ING in De Limburger moest lezen dat een man zo’n 60 à 70.000 euro bij de sauna had gewisseld voor biljetten van 500 euro (die hij daarna in bevroren kip naar Aruba vervoerde wat hem op een veroordeling wegens witwassen kwam te staan) zegde ING de bankrelatie met de sauna/seksclub op.
Naar aanleiding van het arrest startte het Bureau Financieel Toezicht een onderzoek bij de accountant van de sauna/seksclub, het Limburgse kantoor KSG. Haar werkzaamheden voor de stichting waaronder de sauna viel, bestond uit het samenstellen van de jaarstukken, het begeleiden van de fiscale aangiftes voor de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting en het voeren van de loonadministratie. Het BFT stelde vast dat KSG, nadat het op de hoogte was van de witwasveroordeling van een zakenrelatie, een Wwft-melding had moeten doen bij de Financiële inlichtingen eenheid (FIU-NL). Omdat KSG dit verzuimd had, kreeg het kantoor in 2022 een boete opgelegd van €33.900. Het BFT stelde dat KSG al direct na de gerechtelijke uitspraak op de hoogte was van het witwasvonnis. Ook wist KSG van de hoge contante omzet van de sauna/seksclub (80% van het totaal) en de grote hoeveelheid aan coupures van € 500 en € 200 die bij ING waren gestort. Al met al had KSG genoeg reden om een ongebruikelijke transactie te vermoeden, aldus BFT.
Gerechtshof: kennis is voldoende
KSG vocht de boete tevergeefs aan bij de rechter. Onlangs diende het hoger beroep in deze zaak bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Kernvraag was of KSG verplicht was om melding te doen, terwijl het kantoor zelf niet fysiek betrokken was bij de geldstromen of de coupures niet persoonlijk had gezien. KSG betoogde dat dit samenstel van handelingen geen transactie in de zin van de Wwft is. Het CBb wees erop dat de Wwft expliciet bepaalt dat ‘kennisname in het kader van dienstverlening’ voldoende reden is om meldplichtig te zijn. Er is geen direct causaal verband nodig tussen de ongebruikelijke transactie en de werkzaamheden van de accountant, stelde het CBb. KSG had na het lezen van het witwasarrest voldoende concrete informatie, onder meer over het aantal coupures en de hoogte van de contante omzet. Daarmee was sprake van een ‘transactie’ in de zin van de wet, aldus het College. Dat KSG die informatie haalde uit een gerechtelijke uitspraak en niet uit eigen waarneming, doet daar volgens het CBb niet aan af.
Het CBb benadrukte verder dat de transactie ook daadwerkelijk ‘ongebruikelijk’ was in de zin van de Wwft. Het ging niet alleen om een extreem hoog bedrag aan contante omzet (80% van het totaal), maar ook om het specifieke gebruik van biljetten van €500 – die volgens het hof “nagenoeg uitsluitend in het criminele circuit worden gebruikt” – en het feit dat de herkomst van deze coupures niet traceerbaar was. De politie-inval bij de sauna/seksclub in 2016 en eerdere strafrechtelijke kwesties rond contante geldwissels naar Aruba (de bevroren kip) droegen bij aan het beeld dat sprake was van een mogelijke witwasconstructie.
Meldplicht laat geen ruimte
De meldingsplicht is gebaseerd op de subjectieve indicator in de Wwft: als een instelling reden heeft om te veronderstellen dat een transactie met witwassen of terrorismefinanciering te maken kan hebben, moet zij melden. KSG voerde aan dat de Wwft open normen kent en dat onduidelijk was dat zij ook ‘zijdelings bekende’ informatie had moeten melden. Bovendien stelde zij een kleine organisatie te zijn, die altijd heeft meegewerkt met het toezicht, en op basis van haar ervaring geen vermoeden van witwassen had. Het CBb veegde dat verweer van tafel: de combinatie van feiten en de inhoud van het arrest gaf ruimschoots aanleiding tot zo’n vermoeden. Ook het argument dat contant geld in de grensstreek meer voorkomt, doet volgens het hof niets af aan de meldplicht.
Het College oordeelde dan ook dat BFT terecht een boete had opgelegd. Daarbij was rekening gehouden met de specifieke omstandigheden van KSG. Zo was de boete gematigd (van de standaard 2% naar 1% van de omzet) juist omdat KSG inmiddels maatregelen had getroffen en alsnog had gemeld. Van verminderde verwijtbaarheid of verzachtende omstandigheden was echter geen sprake. De boete van €33.900 werd daarom passend en geboden geacht.
Lees hier de uitspraak.