Haags Juristen College
De jurist was volgens Quote oprichter van het Haags Juristen College (HJC), een advieskantoor dat vanuit Den Haag opereerde en ondernemers hielp met het opzetten van buitenlandse vennootschapsstructuren. Later zette hij zijn activiteiten voort via andere adviespraktijken, waarbij hij zich bleef richten op internationale bedrijfsconstructies.
Hij hielp duizenden Nederlandse ondernemers in het mkb aan Britse limiteds en andere buitenlandse entiteiten, waarmee zij strengere Nederlandse regels en fiscale verplichtingen konden omzeilen. Daarbij werd gebruikgemaakt van brievenbusfirma’s en structuren via onder meer het Verenigd Koninkrijk, Luxemburg en Servië. In sommige gevallen werden aandelen ondergebracht bij trusts in belastingparadijzen om de uiteindelijke eigenaar buiten beeld te houden.
De werkwijze leidde al jaren tot frictie met toezichthouders en opsporingsdiensten zoals de Belastingdienst en de FIOD. De jurist werd eerder veroordeeld voor witwassen en belastinggerelateerde feiten uit het verleden, al liep daar nog langdurige juridische discussie over. In een latere strafzaak rond faillissementsfraude volgde uiteindelijk vrijspraak.
Ook in recente jaren bleef hij onderwerp van onderzoek en berichtgeving. Zo werd hij in verband gebracht met grootschalige constructies rond Britse vennootschappen en het gebruik van stromannen, onder meer via een Servische zakenpartner die op papier eigenaar werd van honderden bedrijven om werkelijke belanghebbenden af te schermen.
Naast zijn praktijk profileert de jurist zich nadrukkelijk als libertariër. Hij is gelieerd aan libertarische kringen en uit al jaren stevige kritiek op belastingheffing en overheidsingrijpen. Die ideologische overtuiging vormt ook de basis voor zijn werkzaamheden, waarin het opzoeken van de grenzen van wet- en regelgeving centraal staat.
ABN AMRO kritisch
Uit de uitspraak van de voorzieningenrechter blijkt dat ABN AMRO de jurist herhaaldelijk bevroeg in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Daarbij speelde onder andere zijn strafrechtelijke verleden een rol. De jurist werd in 2013 veroordeeld wegens gewoontewitwassen, waarbij het om feiten uit 2006 ging. Twee jaar later, in 2015, viel de FIOD bij hem binnen naar aanleiding van een verdenking van faillissementsfraude. Het Openbaar Ministerie vervolgde hem hiervoor, maar het gerechtshof Den Haag sprak hem daarvan op 6 december 2021 integraal vrij.
Ook was er veel negatieve berichtgeving in de media over de jurist en zijn fiscale advieswerk. De rechtbank somt berichten op uit 2015, 2017, 2019 en 2024, waarin hij onder meer in verband werd gebracht met de Panama Papers en tientallen brievenbusfirma’s. Daarbij waren ook een oud-NPO-directeur en een voormalig voorzitter en lijsttrekker van een politieke partij betrokken.
Boete BFT
Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) legde de jurist op 25 april 2024 een boete op van € 36.000 wegens het binnen zijn Britse adviesgroep feitelijk leidinggeven aan overtredingen van de Wwft. Volgens de toezichthouder voldeed hij niet aan de monitoringsplicht en de verplichting tot het verrichten van verscherpt cliëntenonderzoek in de periode 2019-2021. Na bezwaar werd de boete op 18 september 2024 verlaagd tot € 1.080, maar de geconstateerde overtredingen bleven overeind.
Bankzaken
Naast de rekening bij ABN AMRO had de jurist ook een rekening bij BUNQ. Die bank beëindigde de relatie op 10 maart 2023 en sloot de rekening, na een ongebruikelijke overboeking van een substantieel bedrag vanuit Servië.
ABN AMRO stelde de jurist herhaaldelijk in de gelegenheid om volledige openheid van zaken te geven. Op 1 april 2025 gebeurde dat voor het laatst. De bank legde haar onderzoeksbevindingen ten aanzien van de beslissing van het BFT op het bezwaarschrift aan hem voor, met het verzoek om de juistheid ervan te bevestigen dan wel onderbouwd aan te geven op welke punten de bevindingen onjuist waren. De jurist reageerde diezelfde dag nog, maar de bank was ontevreden over die reactie.
Bij brief van 20 oktober 2025 deelde ABN AMRO mee de langdurige relatie te beëindigen met ingang van 22 december 2025. De bank verwoordde haar oordeel als volgt:
“De bank is van oordeel dat het in stand laten van de bancaire relatie niet past bij haar beleid op basis van de jarenlange negatieve openbare media, de strafrechtelijke veroordeling en de recente bestuurlijke boete van BFT in combinatie met het ontbreken van signalen van een gedragsverandering of concrete maatregelen om een einde te maken aan deze gang van zaken.”
In een brief van 10 november 2025 handhaafde ABN AMRO haar standpunt en concludeerde de bank dat het klantenonderzoek niet kon worden afgerond en niet kon worden uitgesloten dat de gelden op onrechtmatige wijze waren verkregen of dat de producten en diensten op oneigenlijke wijze werden gebruikt.
Kort geding
De Haagse jurist verzette zich hiertegen en spande met succes een kort geding aan. Bij de rechtbank Amsterdam stelde hij onder meer dat hij afhankelijk is van zijn bankrekening voor zijn dagelijkse financiële verkeer en dat het hem, gezien zijn profiel, niet lukt om elders een volwaardige bankrelatie aan te gaan. Op zijn verzoek schortte ABN AMRO de relatiebeëindiging op hangende het kort geding.
In een kort geding moet worden beoordeeld of het aannemelijk is dat een bodemrechter hetzelfde oordeel zou vellen, en daarbij weegt de rechter ook de belangen van beide partijen.
Wwft
Allereerst oordeelt de rechter dat geen sprake is van een situatie waarin ABN AMRO op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) verplicht was de relatie te beëindigen. Volgens de voorzieningenrechter is niet gebleken dat de bank het klantonderzoek niet kan afronden, noch dat sprake is van een onaanvaardbaar integriteitsrisico.
Hoewel de jurist zich soms kritisch en geïrriteerd opstelde over de vele vragen van de bank, heeft hij volgens de rechter wel degelijk voldoende inhoudelijk gereageerd. Dat hij bepaalde stukken niet heeft overgelegd, betekent niet automatisch dat hij onvoldoende meewerkt. Zo kon niet van hem worden verlangd dat hij documenten verstrekt die hij niet bezit, of dat hij binnen korte tijd schriftelijk reageert op jarenoude mediaberichten.
Ook het verwijt van ABN AMRO dat de jurist onjuiste informatie gaf over de boete van het Bureau Financieel Toezicht houdt geen stand. Volgens de rechter is zijn toelichting weliswaar enigszins gekleurd, maar niet zodanig misleidend dat sprake is van een integriteitsrisico. Bovendien had de bank zelf toegang tot de relevante informatie en kon zij het klantonderzoek afronden.
Verder oordeelt de rechter dat de door de bank aangevoerde omstandigheden – zoals een strafrechtelijke veroordeling uit 2013 voor feiten uit 2006 en latere verdenkingen waarvan de jurist is vrijgesproken – onvoldoende zijn om in 2025 nog een actueel integriteitsrisico aan te nemen. Ook de recente, maar sterk verlaagde boete van het BFT is daarvoor onvoldoende, mede omdat daar nog een procedure over loopt.
Politieke opvattingen
Opvallend is dat de rechter expliciet overweegt dat ook de politieke opvattingen van de jurist en zijn werkwijze – het opzoeken van de grenzen van fiscale wetgeving – op zichzelf geen reden vormen om een bankrelatie te beëindigen. Zolang de wet niet wordt overtreden, staat het hem vrij dergelijke activiteiten te ontplooien, ook als die niet aansluiten bij het beleid van de bank:
Tot slot heeft ABN AMRO in dit verband nog gewezen op de politieke opvattingen van [eiser 1] en de wijze waarop hij (voor zichzelf en beroepsmatig voor derden) bewust de randen en mazen van de (fiscale) wetgeving opzoekt. Het hebben van onwelgevallige opvattingen (inzake belastingheffing) en het bewust de randen en mazen van wetgeving opzoeken leidt op zichzelf niet tot een verplichte beëindiging van een bankrelatie op grond van de Wwft. Het staat [eiser 1] vrij politieke opvattingen te huldigen en die kenbaar te maken, net als het geven van fiscaal (juridisch) advies of het opzetten van (fiscaal) juridische constructies, zolang de wet daarbij niet worden overtreden. Ook als deze opvatting niet in lijn zijn met, of ver af staan van, het eigen belastingbeleid van ABN AMRO. Dit alles levert geen onaanvaardbaar integriteitsrisico op.
Contractuele opzegbevoegdheid
Vervolgens beoordeelt de rechter of ABN AMRO de relatie dan op contractuele gronden mocht opzeggen. Hoewel banken in beginsel die bevoegdheid hebben, kan gebruik daarvan onaanvaardbaar zijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. In dit geval vindt de rechter dat de bank haar belang bij beëindiging onvoldoende heeft onderbouwd, terwijl veel van de aangevoerde bezwaren zien op gebeurtenissen van jaren geleden.
Daartegenover staat het zwaarwegende belang van de jurist bij behoud van zijn bankrekening. Hij is al tientallen jaren klant, ontvangt daarop zijn vaste inkomsten zoals AOW en huur, en betaalt er zijn dagelijkse lasten van. Bovendien is het hem niet gelukt om bij een andere bank een volwaardige rekening te openen.
Alles afwegend komt de rechter tot de conclusie dat beëindiging van de bankrelatie op dit moment onaanvaardbaar is. ABN AMRO moet de dienstverlening daarom voortzetten.
Daarnaast bepaalt de rechter dat de bank de persoonsgegevens van de jurist niet mag opnemen in interne waarschuwingsregisters, en – voor zover dat al is gebeurd – deze moet verwijderen. Tot slot wordt ABN AMRO veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
