Dat oordeelt het gerechtshof Amsterdam. ABN AMRO hoeft daardoor niet ruim 54.000 euro te betalen, zoals de rechtbank eerder oordeelde, maar iets meer dan 14.000 euro.
De boekhouder sluisde tussen 2007 en 2019 ruim 4,5 miljoen euro weg van zijn werkgever naar zijn privérekening bij ABN AMRO. Het geld werd vervolgens vrijwel direct contant opgenomen. De fraude kwam aan het licht nadat een bankmedewerker van de afdeling Fraude Monitoring op 20 juni 2019 tijdens een onderzoek naar geldopnames een opvallend patroon ontdekte. In een interne e-mail sprak de medewerker over een vermoeden van fraude met gemeenschapsgeld en schreef dat het om “tonnen, als het al geen miljoen is” ging.
Subjectief gevaarsbewustzijn
Net als de rechtbank stelt het hof voorop dat op een bank vanwege haar maatschappelijke functie een zorgplicht rust tegenover derden met wier belangen zij rekening moet houden. Die zorgplicht ontstaat echter niet al doordat sprake is van ongebruikelijk betalingsverkeer. Volgens het hof is beslissend of de bank zich ook daadwerkelijk bewust was van het gevaar dat met dat betalingsverkeer samenhing.
KempenPlus voerde aan dat ABN AMRO veel eerder had moeten ingrijpen. Daarbij wees het Brabantse participatiebedrijf onder meer op de vele contante stortingen en opnames, een automatische systeemmelding uit 2011 en verzoeken van de boekhouder om zijn opnamelimiet te verhogen tot 10.000 euro per dag.
Het hof volgt dat betoog niet. Onder verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad overweegt het dat niet doorslaggevend is wat de bank had kunnen weten, maar waarvan zij zich daadwerkelijk bewust was. Dat de systemen in 2011 een melding genereerden over veel contante stortingen is onvoldoende, omdat die melding automatisch werd afgesloten en nooit door een medewerker is gezien. Ook de verhoging van de paslimiet en de omvangrijke contante opnames leveren volgens het hof geen bewijs op dat de bank zich toen bewust was van een concreet frauderisico.
Volgens het hof ontstond pas op 20 juni 2019 ‘subjectief gevaarsbewustzijn’, toen een medewerker expliciet de mogelijkheid van fraude onderkende en daar intern melding van maakte.
Vier weken voor onderzoek
Daarmee was de bank volgens het hof nog niet direct aansprakelijk. Het feit dat één medewerker een risico signaleert, betekent niet dat die kennis onmiddellijk aan de bank als rechtspersoon kan worden toegerekend. De informatie moest eerst de medewerkers bereiken die bevoegd waren maatregelen te nemen.
Het hof acht een periode van vier weken redelijk om het noodzakelijke onderzoek uit te voeren. Dat betekent dat ABN AMRO uiterlijk op 18 juli 2019 had moeten vaststellen dat voor de langdurige geldstromen en contante opnames geen plausibele verklaring bestond en de rekening had moeten blokkeren of beëindigen. Doordat dat niet gebeurde, kon de boekhouder nog enkele weken doorgaan met de fraude. Voor de schade die vanaf 19 juli 2019 ontstond, is de bank aansprakelijk.
Dat leidt tot een aanzienlijk lagere schadevergoeding dan de rechtbank eerder had toegewezen. Waar de rechtbank nog uitging van alle frauduleuze transacties tussen 20 juni en 6 augustus 2019, beperkt het hof de aansprakelijkheid tot drie overboekingen tussen 19 juli en 6 augustus 2019, met een gezamenlijke waarde van ruim 71.000 euro. Na toepassing van 80 procent eigen schuld resteert een schadevergoeding van 14.213,81 euro.
Interne controles ernstig tekortgeschoten
Ook in hoger beroep bleef KempenPlus betogen dat de rechtbank ten onrechte 80 procent van de schade voor eigen rekening had gelaten. De bank vond juist dat alle schade voor rekening van het participatiebedrijf moest blijven.
Het hof laat de verdeling ongewijzigd. Volgens het hof blijkt uit de twaalf jaar durende fraude dat de interne controlemechanismen bij KempenPlus “ofwel er niet waren ofwel ernstig hebben gefaald”. Dat de fraude volgens KempenPlus ingenieus was opgezet, overtuigt het hof niet. Het is volgens de rechters moeilijk te verklaren waarom jarenlang niet werd ontdekt dat contant geld uit de kantine verdween en later facturen dubbel werden betaald.
Daarbij weegt ook mee dat de externe accountant EY de fraude niet heeft ontdekt. Het hof merkt op dat KempenPlus inmiddels voor bijna 1 miljoen euro een schikking met de accountant heeft getroffen wegens tekortschietend toezicht. Ook dat externe toezicht komt volgens het hof voor rekening en risico van KempenPlus. Een billijkheidscorrectie acht het hof daarom niet op zijn plaats.
Onderzoekskosten vrijwel geheel afgewezen
Het hof grijpt ook in bij de vergoeding van de kosten die KempenPlus maakte om de fraude te onderzoeken en de administratie te herstellen. Het participatiebedrijf claimde daarvoor meer dan een half miljoen euro.
Volgens het hof zijn die kosten grotendeels niet in redelijkheid aan ABN AMRO toe te rekenen. De bank is immers slechts aansprakelijk voor een zeer beperkt deel van de totale fraude. Het hof kent daarom slechts 1.000 euro toe voor de kosten van het vaststellen van de schade en het herstel van de administratie.
Het eindvonnis van de rechtbank wordt in zoverre vernietigd. KempenPlus wordt als grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.
