De gemaakte advieskosten zijn geen zakelijke kosten, maar privékosten van de aandeelhouders. De BV is dus niet de afnemer van de belaste prestaties.
Van 2015 tot en met 2019 waren er door de BV kosten gemaakt voor (fiscale) advisering met betrekking tot de bedrijfsopvolging in familieverband. Over deze advieskosten is door de dienstverleners omzetbelasting in rekening gebracht die de BV als voorbelasting in aftrek heeft gebracht op de btw-aangiften over de tijdvakken 2015 tot en met 2019.
De inspecteur merkte voor de periode 2015-2018 € 160.255,49 exclusief btw als privé advieskosten aan. Voor de periode 2018-2019 merkte de inspecteur € 32.796 exclusief btw als privékosten aan.
Geschil
Bij de rechtbank was in geschil of de naheffingsaanslagen omzetbelasting en de belastingrentebeschikkingen terecht aan de BV zijn opgelegd. Meer specifiek beoordeelde de rechtbank of de BV recht heeft op aftrek van de omzetbelasting die in verband met advieskosten bij haar in rekening is gebracht. De hoogte van de naheffingsaanslagen stonden niet ter discussie.
Oordeel
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de naheffingsaanslagen wel degelijk terecht aan de BV opgelegd. De rechtbank had al op 18 augustus 2025 uitspraak gedaan in de zaken met zaaknummers 23/3952 tot en met 23/3955[1]. De rechtbank besliste hierin dat de gemaakte advieskosten geen zakelijke kosten zijn, maar privékosten van de aandeelhouders.
Recht op aftrek van voorbelasting?
Over de juridische kaders om te bepalen of er recht op aftrek van voorbelasting bestaat overweegt de rechtbank als volgt:
‘Op de verschuldigde omzetbelasting wordt onder meer in aftrek gebracht, de belasting ter zake van de aan de ondernemer verrichte leveringen van goederen en verleende diensten.[2] Dit is, voor zover in deze zaak van belang, de belasting welke in het tijdvak door andere ondernemers ter zake van door hen aan de afnemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur, voor zover de goederen en diensten door de afnemer worden gebruikt voor belaste handelingen.[3]
Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat recht bestaat op aftrek van voorbelasting indien er een onmiddellijk verband is tussen de afgenomen levering of dienst en de belaste prestaties van belanghebbende of indien de kosten van de afgenomen levering of dienst deel uitmaken van de algemene kosten.[4] De bewijslast om aannemelijk te maken dat recht is op aftrek van voorbelasting, ligt bij belanghebbende.’
Standpunten
De BV stelt de afnemer van de adviesdiensten te zijn en dus de afnemer van de belaste prestaties. Daarnaast stelt de BV dat de advieskosten gemaakt zijn in het kader van de algehele belaste economische activiteit van het bedrijf waardoor recht op aftrek van voorbelasting bestaat.
De inspecteur stelt dat de BV geen recht heeft op aftrek van voorbelasting. Er is geen sprake van een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de relevante adviesdiensten en de belaste activiteiten van de BV, aldus de inspecteur.
Oordeel
De rechtbank heeft eerder beslist dat de advieskosten geen zakelijke kosten van de BV zijn, maar privékosten van de aandeelhouders. Naar het oordeel van de rechtbank is de BV dus niet de afnemer van de belaste prestaties. De BV heeft daardoor geen recht op aftrek van voorbelasting.
Naar het oordeel van de rechtbank is daarnaast geen sprake van een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de advieskosten en de economische activiteit van de BV. Een causaal verband tussen de advieskosten van de aandeelhouders en de economische activiteit van de BV is geen rechtstreeks en onmiddellijk verband in de zin van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.[5] De BV heeft daarom geen recht op aftrek van voorbelasting.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, ECLI:NL:RBZWB:2025:5701
[1] Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5522
[2] Artikel 2 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).
[3] Artikel 15, eerste lid, onder a, van de Wet OB.
[4] Hof van Justitie van de Europese Unie 21 februari 2013, C-104/12, ECLI:EU:C:2013:99 en Hof van Justitie van de Europese Unie 14 september 2017, C-132/16, ECLI:EU:C:2017:683.
[5] Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 30 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1397, r.o. 4.4.
