Een BV exploiteert een kinderdagverblijf met een buitenschoolse opvang. De werknemers van de BV gebruiken in 2015 en 2016 een viertal personenauto’s, waarvan er twee worden geleased en twee op de balans van de BV staan. De auto’s worden gebruikt voor het vervoer van kinderen en voor het doen van boodschappen.
De BV laat werknemers bij indiensttreding een autoverklaring ondertekenen, waarin onder meer is opgenomen dat de auto door de werknemer alleen gebruikt wordt voor de breng- en ophaaldienst van de BV. Verder mag de auto op instructie van de werkgever gebruikt worden voor de boodschappen ten behoeve van de algemene bedrijfsvoering van de BV. Dagelijks en na elk gebruik dient de werknemer de auto weer terug te parkeren op een parkeerplek vóór de kinderopvanglocatie en de sleutel na elk gebruik weer terug te leggen in de daarvoor bestemde sleutelkluis.
Geen kilometeradministratie overlegd
Een van de medewerkers van de BV is locatiemanager en medebestuurder via haar honderd procent-dochter. In 2018 en 2019 vindt er een boekenonderzoek bij de BV plaats naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting 2014 tot en met 2016. Dat onderzoek is uitgebreid naar de bijtelling voor het privégebruik van auto’s. Uit het controlerapport blijkt dat de inspecteur heeft gevraagd om een bijgehouden kilometeradministratie waaruit duidelijk wordt dat er met de auto’s minder dan 500 kilometer per jaar privé is gereden, waardoor er geen bijtelling hoeft plaats te vinden.
Omdat er geen kilometeradministratie is overlegd en ook geen ander bewijs legt de inspecteur naheffingsaanslagen loonheffing op aan de BV voor de jaren 2015 en 2016 van € 6.732,- en € 6.804,-. Daarnaast legt hij vergrijpboetes op en brengt hij belastingrente in rekening. De BV stelt beroep in, na de uitspraak op bezwaar, bij de rechtbank Den Haag die alleen het beroep op de vergrijpboetes gegrond verklaard.
Voor gerechtshof Den Haag is in geschil of in 2015 en 2016 de auto door de BV aan haar werknemers, in het bijzonder de locatiemanager en dga ter beschikking is gesteld als bedoeld in artikel 13bis van de Wet op de Loonbelasting 1964. En of is gebleken dat met de auto niet meer dan 500 kilometer op kalenderjaarbasis voor privédoeleinden is gereden.
Ter beschikkingstelling auto
Hof Den Haag overweegt dat bij de beoordeling of de autokostenfictie van artikel 13bis Wet LB 1964 van toepassing is eerst de vraag moet worden beantwoord of de desbetreffende auto aan de werknemer ter beschikking is gesteld. De bewijslast hiervoor rust op de inspecteur. Daarbij is van belang dat niet in elk geval waarin een werknemer een auto van zijn werkgever heeft bestuurd, gezegd kan worden dat die auto aan de werknemer ter beschikking is gesteld in de zin van voorgenoemd artikel. Van een terbeschikkingstelling is bij voorbeeld geen sprake als een of meer werknemers die auto slechts besturen om opdrachten van de werkgever uit te voeren om in diens belang personen of goederen te vervoeren, zodat de feitelijke beschikkingsmacht over de auto bij de werkgever blijft berusten.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de auto in de onderhavige jaren in ieder geval aan de dga ter beschikking is gesteld. De inspecteur is van mening de dga als bestuurder van de BV en in haar hoedanigheid van locatiemanager, zelf kon bepalen voor welke doeleinden zij de auto gebruikte. Hij wijst er daarbij op dat zij kon beschikken over de autosleutels, zodat zij zowel tijdens als buiten werktijden gebruik kon maken van de auto.
De BV stelt dat de auto in de jaren 2015 en 2016 niet aan haar medewerkers, waaronder de dga ter beschikking is gesteld. Volgens de dga was de auto uitsluitend bestemd voor specifieke zakelijke doeleinden, namelijk het halen en brengen van kinderen en het doen van boodschappen, en werd de auto daar ook intensief voor gebruikt. De BV verwijst daarbij naar het verbod op privégebruik zoals vastgelegd in de door de werknemers ondertekende arbeidsovereenkomsten en autoverklaringen en het personeelshandboek en het gebruik van het sleutelkastje.
Feitelijke macht over auto
Naar het oordeel van het hof ligt in de stelling van de BV de, onjuiste, opvatting besloten dat pas sprake is van terbeschikkingstelling in de zin van artikel 13bis Wet LB 1964 als aannemelijk is dat de auto ook voor privédoeleinden mag worden gebruikt. Onder terbeschikkingstelling van een auto in de zin van artikel 13bis, lid 1, Wet LB 1964 wordt verstaan dat een werknemer voor kortere of langere tijd de feitelijke macht over een auto uitoefent. De doeleinden waarvoor de auto uiteindelijk door de dga is gebruikt, zijn in dat kader dus niet van belang. Het gaat erom of de dga kon bepalen of en op welke wijze zij van de auto gebruik maakte.
He hof is van oordeel dat omdat de dga in de jaren 2015 en 2016 (indirect) bestuurder was van de BV en locatiemanager, zij in staat was om te bepalen op welke wijze zij van de auto gebruik maakte. Zij kon over de autosleutels beschikken, hoewel deze werden beheerd door een andere medewerker. De omstandigheid dat in de arbeidsovereenkomst en de autoverklaring een verbod is opgenomen voor privégebruik, leidt niet tot een ander oordeel.
Niet meer dan 500 kilometer voor privé
Het verbod op privégebruik is niet van belang voor het antwoord op de vraag of sprake is van terbeschikkingstelling, maar, uitgaande van terbeschikkingstelling, voor het door de BV te leveren verzwaarde bewijs dat de auto voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. Dit leidt tot de conclusie van het hof dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de dga feitelijk de beschikkingsmacht over de auto kon uitoefenen en dat dus sprake is van een terbeschikkingstelling van de auto in de zin van artikel 13bis Wet LB 1964.
Het hof oordeelt dat het wettelijk vermoeden geldt dat de auto ook voor privédoeleinden ter beschikking stond. Dit houdt in dat een bijtelling alleen achterwege blijft als de BV overtuigend kan aantonen dat de auto voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. De BV stelt dat zij aan de verzwaarde bewijslast heeft voldaan en wijst daarbij op het eerdergenoemde verbod op privégebruik zoals opgenomen in de autoverklaringen, het personeelshandboek en de arbeidsovereenkomsten en op het gebruik van een sleutelkastje.
Voor het hof staat het vast dat de BV geen rittenregistratie heeft bijgehouden en ook niet op een andere wijze heeft bewezen dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. De stelling dat gebruik werd gemaakt van een sleutelkastje en dat dat kastje werd beheerd door een andere medewerker dan de dga van de BV is daartoe niet voldoende, omdat geen gegevens zijn overgelegd waaruit blijkt dat het gebruik van het sleutelkastje werd gecontroleerd.
Voor de kwalificatie grove schuld voert de inspecteur aan dat de BV door de speciale positie van haar dga niet kon menen dat de auto niet aan haar ter beschikking stond. En dat uit de autoverklaringen blijkt dat de BV op de hoogte was van de fiscale regelgeving inzake privégebruik van de auto. Door na te laten het gebruik van de auto verifieerbaar te controleren, kan bij de BV niet de overtuiging hebben bestaan dat zij op goede gronden afzag van het doen van een bijtelling. Het doen van aangiften loonheffing zonder bijtelling moet volgens hem worden gezien als een dusdanig grof nalaten dat het in verwijtbaarheid grenst aan opzet, omdat het resulteerde in een initieel te lage afdracht van loonheffingen.
Hof is niet overtuigd van grove schuld
Het Hof stelt voorop dat de inspecteur overtuigend moet aantonen dat het aan grove schuld van de BV is te wijten dat te weinig loonheffing is afgedragen door aangiften loonheffing te doen zonder rekening te houden met een bijtelling voor privégebruik van de auto door de dga. Het hof is niet overtuigd van grove schuld van de BV. De BV liet haar werknemers immers een autoverklaring ondertekenen en heeft de regels omtrent het gebruik van haar auto vastgelegd in het personeelshandboek.
De BV heeft onbetwist gesteld dat de sleutel van de auto na het gebruik in het sleutelkastje werd gelegd en dat het beheer van het sleutelkastje werd gevoerd door een medewerker van de BV. De dga heeft ook verklaard dat zij een arbeidsovereenkomst had met de BV, zodat het verbod op privégebruik van de auto zoals neergelegd in het personeelshandboek, anders dan de inspecteur heeft gesteld, ook voor haar gold. De dga verklaarde voor het hof verder geloofwaardig dat zij voor háár werkzaamheden voor de BV geen gebruik hoefde te maken van de auto en dat zij bovendien in het bezit was van een privéauto.
Het hof hecht bovendien waarde aan de verklaring ter zitting van de dga dat zij als minderheidsaandeelhouder en (indirect) bestuurder voorzichtig was vanwege de samenwerking met andere personeelsleden en niet wilde dat die zouden kunnen menen dat zij misbruik maakte van haar positie.
Onder deze omstandigheden, zo oordeelt het hof, handelde de BV – en haar (indirect) bestuurder – niet met in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid door ervan uit te gaan dat voldoende was gewaarborgd dat de auto niet voor privédoeleinden zou worden gebruikt en dienaangaande geen kilometeradministratie of andere vorm van bewijs van het gebruik van de auto door de dga behoefde te worden bijgehouden. Dit betekent dat de Inspecteur niet overtuigend heeft aangetoond dat de BV naar objectieve maatstaven gemeten, redelijkerwijs niet kon en mocht menen dat de auto in fiscale zin niet aan de dga ter beschikking stond en dat het niet op verifieerbare wijze kunnen aantonen dat zij gedurende 2015 en 2016 minder dan 500 kilometer per jaar privé heeft gereden met de auto aan de grove schuld van de BV is te wijten.
Gerechtshof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2025:1648