Bent u verplicht daaraan mee te werken, of kunt u zich beroepen op een geheimhoudingsplicht? Het antwoord op die vraag is genuanceerder dan u wellicht denkt.
De beroepsmatige geheimhoudingsplicht
Laten we vooropstellen dat de accountant wél een geheimhoudingsplicht kent. Op grond van artikel 16 van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) is de accountant gehouden tot geheimhouding van gegevens en inlichtingen waarover hij beschikt uit hoofde van zijn beroepsmatig handelen. Deze verplichting werkt ook door na beëindiging van de opdracht. Daarnaast volgt uit de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta) en de Verordening accountantsorganisaties (VAO) dat accountantsorganisaties zorgvuldig dienen om te gaan met vertrouwelijke gegevens van hun cliënten.
Het is echter van belang om te beseffen dat deze geheimhoudingsplicht een beroepsmatige en/of tuchtrechtelijke verplichting betreft. Zij vindt haar oorsprong in beroepsregelgeving, maar niet in een wettelijk verankerd verschoningsrecht zoals dat geldt voor bijvoorbeeld advocaten en artsen.
Het verschil met het wettelijk verschoningsrecht
Hier raken we de kern van het vraagstuk. In het Nederlandse strafprocesrecht kennen we het verschoningsrecht van artikel 218 Wetboek van Strafvordering (Sv). Dit artikel bepaalt dat personen die uit hoofde van hun beroep tot geheimhouding verplicht zijn, zich kunnen verschonen van de verplichting om als getuige te verklaren. Dit verschoningsrecht komt traditioneel toe aan de zogenoemde klassieke verschoningsgerechtigden: de advocaat, de notaris, de arts en de geestelijke.
De accountant behoort niet tot deze categorie. De Hoge Raad heeft meermaals bevestigd dat het verschoningsrecht restrictief moet worden uitgelegd. Hoewel de accountant onmiskenbaar een vertrouwenspositie bekleedt ten opzichte van zijn cliënt, heeft de wetgever ervoor gekozen dit beroep niet onder de reikwijdte van artikel 218 Sv te brengen. Het gevolg hiervan is dat de accountant zich in beginsel niet kan verschonen van de plicht om medewerking te verlenen aan een strafrechtelijk onderzoek.
De vordering ex artikel 126nf Wetboek van Strafvordering
Artikel 126nf Sv biedt de officier van justitie de bevoegdheid om, in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67 eerste lid Sv, een vordering te richten tot degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde opgeslagen gegevens. De vordering strekt ertoe dat deze gegevens worden verstrekt ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek.
Wanneer een dergelijke vordering aan een accountant wordt gericht, is de accountant in beginsel verplicht hieraan mee te werken. Het ontbreken van een wettelijk verschoningsrecht betekent immers dat de accountant zich niet op die grond kan beroepen om medewerking te weigeren. Niet-naleving van een vordering ex artikel 126nf Sv valt zelfs onder de strafbaarstelling van artikel 184 Wetboek van Strafrecht, waarin het opzettelijk niet voldoen aan een ambtelijk bevel strafbaar is gesteld.
Nuances en kanttekeningen
Betekent dit dat de accountant zonder meer aan iedere vordering moet voldoen? Nee, enige nuancering is hier op zijn plaats. Op de eerste plaats moet de vordering zelf rechtmatig zijn. De officier van justitie kan niet willekeurig gegevens opvragen; er moet sprake zijn van een verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, en de vordering moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De accountant mag – en doet er verstandig aan – de vordering op deze formele vereisten te laten toetsen. Voorts kan de accountant die meent dat de vordering onrechtmatig is of dat bijzondere omstandigheden zich tegen uitlevering verzetten, een klaagschrift indienen op grond van artikel 552a Sv (beklagprocedure). Via deze weg kan de rechter toetsen of de vordering terecht is gedaan. Daarbij geldt dat de beroepsmatige geheimhoudingsplicht uit de VGBA weliswaar geen verschoningsrecht oplevert, maar wel een relevante factor kan zijn bij de beoordeling van de proportionaliteit van de vordering. De rechter kan in het kader van een beklagprocedure meewegen dat de gevorderde gegevens onder een beroepsmatige vertrouwensrelatie vallen. Tot slot verdient opmerking dat in de literatuur en de beroepspraktijk met enige regelmaat wordt gepleit voor uit-breiding van het verschoningsrecht naar accountants, gelet op het maatschappelijke belang van de vertrouwensrelatie tussen accountant en cliënt. De wetgever heeft dit pleidooi tot op heden echter niet gehonoreerd.
Praktisch advies
Voor de praktijk geldt het volgende. Wordt u als accountant geconfronteerd met een vordering ex artikel 126nf Sv – of met een andere strafrechtelijke vordering tot gegevensuitlevering – dan is het raadzaam om direct juridisch advies in te winnen bij een in het strafrecht gespecialiseerde advocaat. Deze kan de vordering voor u laten toetsen op rechtmatigheid, waaronder de vraag of aan de formele vereisten is voldaan. De advocaat kan tevens beoordelen of het zinvol is om een klaagschriftprocedure te starten wegens disproportionaliteit van de vordering. Niet aan te bevelen is eigenhandig te besluiten uitlevering van gegevens te weigeren op grond van uw beroepsmatige geheimhoudingsplicht. Dit kan immers strafrechtelijke consequenties hebben.
Tot slot
De positie van de accountant is op dit punt kwetsbaar. U draagt het vertrouwen van uw cliënt, maar mist de wettelijke bescherming die het verschoningsrecht biedt aan andere vertrouwensberoepen. Het is daarom van belang dat u zich bewust bent van dit juridische kader en dat u – mocht de situatie zich voordoen – tijdig de juiste stappen onderneemt. De geheimhoudingsplicht uit de VGBA is weliswaar een serieuze beroepsnorm, maar zij biedt u geen schild tegen de strafrechtelijke bevoegdheden van opsporingsinstanties.
Carolien Noorduyn is advocaat en partner bij Wladimiroff Advocaten.
