De zaak draait om iemand die wordt verdacht van niet-ambtelijke omkoping en belastingfraude over de periode 2009-2023. Tijdens een doorzoeking in september 2024 nam de FIOD digitale gegevensdragers in beslag, waaronder een laptop. De verdachte meldde dat daarop mogelijk geheimhoudersinformatie stond die verband hield met een fiscaal geschil met de Belastingdienst, waarbij hij door de klagende advocaten werd bijgestaan.
Filtering onder regie rechter-commissaris
De rechter-commissaris liet de gekopieerde laptopgegevens filteren op mogelijk verschoningsgerechtigd materiaal. Dat gebeurde met behulp van een zogenoemde geheimhoudersfunctionaris van de FIOD, op basis van zoektermen die de advocaten zelf hadden aangeleverd. Bestanden die door die zoektermen werden geraakt, werden aangemerkt als mogelijk vertrouwelijk en buiten het onderzoek gehouden.
Daarnaast voerde de rechter-commissaris een steekproef uit en liet zij een extra zoekslag uitvoeren naar documenten waarvan de advocaten hadden aangegeven dat deze mogelijk onder het verschoningsrecht vielen.
De advocaten dienden vervolgens een klaagschrift in. Volgens hen konden ook interne documenten en notities van hun cliënt — opgesteld voor juridisch overleg maar niet altijd herkenbaar via zoektermen — onder het verschoningsrecht vallen. Zij vreesden dat dergelijke stukken toch in handen van het onderzoeksteam zouden komen.
Voldoende waarborgen
De rechtbank oordeelt dat de toegepaste werkwijze aansluit bij recente rechtspraak van de Hoge Raad over het filteren van digitaal geheimhoudersmateriaal. Zij verwijst daarbij uitdrukkelijk naar twee arresten (van 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578 rov 3.3.1, en 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375), en de daarop gebaseerde ‘Werkwijze filtering digitaal verschoningsgerechtigd materiaal’. Daarmee is volgens de rechters “voldoende gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet door het strafrechtelijk onderzoek wordt geschonden”.
De rechter-commissaris heeft zich bij de filtering laten bijstaan door een geheimhoudersfunctionaris van de Belastingdienst/FIOD, die onder haar exclusieve regie stond. De advocaten kregen de gelegenheid zoektermen aan te leveren; op basis daarvan zijn zoektermenlijsten opgesteld. Na de automatische filtering voerde de rechter-commissaris een steekproef uit, waarbij zij in het bijzonder aandacht besteedde aan de documenten waarnaar de advocaten in hun e-mail van 18 december 2024 verwezen. Vervolgens gaf zij de opdracht voor een aanvullende zoekslag naar die specifieke bestanden. Pas daarna nam zij een beslissing over de gefilterde data, en stelde de advocaten in de gelegenheid daarop te reageren. De rechtbank acht deze procedure zorgvuldig en in lijn met de eisen die de Hoge Raad stelt.
Van belang is ook dat de advocaten niet concreet hebben aangewezen welke specifieke bestanden volgens hen nog onder het verschoningsrecht vallen. De laptop is inmiddels aan de verdachte teruggegeven, zo overweegt de rechtbank. De advocaten beschikken daarmee over alle bestanden en hadden dus de feitelijke mogelijkheid om concreet te maken om welke documenten het gaat en waarom deze ten onrechte niet als verschoningsgerechtigd zijn aangemerkt. Dat hebben zij nagelaten. Zij bleven steken in algemene bewoordingen: er zouden ‘concrete stukken op de laptop’ staan ‘die onder het verschoningsrecht vallen, maar (mogelijk) niet zijn uitgefilterd’, en het zou gaan om documenten die hun cliënt op verzoek van of ten behoeve van hen, in het kader van hun bijstand tijdens de fiscale procedure, zou hebben opgesteld. Dat is onvoldoende, aldus de rechtbank.
Ook documenten die een cliënt zelf opstelt maar nog niet met een advocaat heeft gedeeld, kunnen in uitzonderlijke gevallen onder het verschoningsrecht vallen. Daarvoor is dan wel vereist dat aannemelijk is dat de inhoud van die stukken daadwerkelijk bestemd was om aan de advocaat in de uitoefening van zijn beroep te worden toevertrouwd. In dat geval is het in beginsel aan de verschoningsgerechtigde zelf om te beoordelen of die geschriften onder zijn verschoningsrecht vallen; dat standpunt moet worden gerespecteerd, tenzij redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat het onjuist is.
In deze zaak is de rechter-commissaris volgens de rechtbank echter kennelijk en niet onbegrijpelijk tot het oordeel gekomen dat de niet-geraakte en niet-gedeelde documenten niet onder het verschoningsrecht van de advocaten vallen, en dat redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat het standpunt van de advocaten dat dit wel zo is, onjuist is. De rechtbank voegt daaraan toe dat de advocaten, mede gelet op hun toegang tot de teruggegeven laptop, onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de betreffende bestanden wél voor communicatie met hen waren bestemd.
De rechtbank verklaart het beklag daarom ongegrond. Van een schending van het verschoningsrecht is geen sprake, en tot een nadere filtering onder leiding van de rechter-commissaris bestaat geen grond.
