De zaak draait om twee facturen die vanuit de persoonlijke holding van de verdachte werden verstuurd aan een zakenrelatie. Op de facturen stonden bedragen van respectievelijk 48.400 euro en 69.575 euro vermeld voor werkzaamheden rond de verkoop van grondstoffen. Volgens de rechtbank waren die werkzaamheden in werkelijkheid nooit uitgevoerd. Ook ontbrak de specificatie waarnaar op de facturen werd verwezen. De rechtbank concludeert daarom dat beide facturen valselijk zijn opgemaakt.
Malafide constructie
Uit het onderzoek bleek dat een leverancier van bio-maïs op verzoek van de verdachte een hogere prijs in rekening bracht dan eerder was afgesproken. De extra opslag van in totaal 97.500 euro werd vervolgens via de twee facturen overgemaakt naar de holding van de verdachte. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte en een medeverdachte deze constructie bewust en in nauwe samenwerking hebben opgezet.
Kritische accountant
Een opvallende rol in de zaak is weggelegd voor de accountants van de betrokken onderneming. Een medeverdachte verklaarde aanvankelijk tegenover de FIOD dat de facturen verband hielden met de opslag op de verkoop van bio-maïs. Later kwam hij daarop terug en stelde hij dat de facturen betrekking hadden op advieswerkzaamheden die door de verdachte zouden zijn verricht.
Volgens de rechtbank is die wijziging van verklaring niet geloofwaardig. De medeverdachte verklaarde dat hij tegen zijn eerste accountant had gelogen omdat zij volgens hem “vervelende vragen” stelde. Die onjuiste uitleg zou hij vervolgens ook tegenover de FIOD hebben volgehouden. De rechtbank volgde die redenering niet. Volgens de rechters sloot de eerste verklaring juist aan bij berichten die de medeverdachte eerder aan zowel zijn eerste als tweede accountant had gestuurd over de aard van de facturen.
Vrijspraak
De verdachte werd ook vervolgd voor niet-ambtelijke omkoping, maar daarvan sprak de rechtbank hem vrij. Volgens de rechters was geen sprake van giften of beloften in de zin van het Wetboek van Strafrecht. De constructie kwam er volgens de rechtbank feitelijk op neer dat de verdachte zichzelf verrijkte ten koste van een onderneming waarvan hij zelf mede-eigenaar was.
Bij de strafoplegging woog de rechtbank mee dat de verdachte ruim 100.000 euro aan zijn eigen onderneming had onttrokken vlak voordat deze werd verkocht. Volgens de rechtbank benadeelde hij daarmee niet alleen de onderneming zelf, maar ook de koper van het bedrijf. Daarnaast ondermijnt valsheid in geschrift het vertrouwen dat bedrijven moeten kunnen stellen in documenten die in het handelsverkeer worden gebruikt. De rechtbank noemde de verdachte bovendien de initiatiefnemer van de constructie en degene die er financieel voordeel van heeft gehad.
Lagere straf
De officier van justitie had een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden geëist. De rechtbank legde uiteindelijk een lagere straf op. Daarbij speelde mee dat de verdachte werd vrijgesproken van de omkopingsbeschuldiging en dat de redelijke termijn in de strafzaak met ruim zeven maanden was overschreden. De man kreeg uiteindelijk een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar.
Lees hier de uitspraak.
