Drie Brabantse theaters bieden, zoals wel meer theaters doen, de bezoekers in de pauze een drankje aan waarvan de prijs in het toegangskaartje is verdisconteerd. Dat is makkelijk, want de drankjes staan bij het begin van de pauze al klaar in de foyer en iedereen kan een drankje naar keuze pakken, zonder lange wachtrijen bij de bar. Vóór de voorstelling en na afloop kunnen wel tegen betaling drankjes worden besteld aan de bar.
Op de toegangsprijs voor een theatervoorstelling is het verlaagde omzetbelastingtarief van 9% van toepassing. Voedingsmiddelen vallen ook onder het lage tarief, met uitzondering van alcoholhoudende dranken.
Naheffing
De theaters hebben over de jaren 2015 tot en met 2018 omzetbelasting afgedragen op basis van het verlaagde tarief: de pauzedrankjes zijn een bijkomende prestatie die het lot van de hoofdprestatie volgt, zo redeneren zij. Maar de fiscus ziet het anders: een voorstelling organiseren en drank schenken zijn twee zelfstandige prestaties, zodat het verstrekken van alcoholische dranken gewoon onder het 21%-tarief valt. Er volgt een naheffing.
De theaters stappen naar de rechter, die hun eis afwijst. Bij het gerechtshof boeken ze later wel succes, want het hof redeneerde dat het drankje vanuit van het perspectief van de gemiddelde bezoeker van een voorstelling een afzonderlijk belang heeft ten opzichte van het bijwonen van de voorstelling. Je kunt ook géén drankje nemen in de pauze. “Voor die bezoekers is het drankje niet van belang; voor degenen die wel in de pauze het drankje nemen, verandert dit niets aan de voorstelling.” Daarom is er geen sprake van een ondeelbare economische prestatie.
Geen doel op zich
Wel gaat het om een bijkomende prestatie die het fiscale lot van de hoofdprestatie deelt, want voor de modale consument vormt het pauzedrankje geen doel op zich. Het pauzedrankje maakt het bezoek aan een voorstelling aantrekkelijker en is een middel om daarvan zo goed mogelijk te profiteren, zo redeneert het hof. “Het pauzedrankje kan worden beschouwd als een aantrekkelijk tussendoortje of een aantrekkelijke afsluiting van het theaterbezoek, waarvan het nuttigen uitsluitend mogelijk is voor bezoekers van een voorstelling.” In dit geval gaat het om één enkele prestatie, bestaande uit meerdere elementen, die moet worden belast tegen het tarief van het hoofdelement.
De theaters kregen gelijk, maar de Belastingdienst ging in cassatie. De conclusie van het gerechtshof leidt innerlijk tegengestelde conclusies over de zelfstandigheid van de beide prestaties, zo is het argument. De Hoge Raad stelt voorop dat voor de toepassing van de omzetbelasting élke handeling normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd. “Niettemin moeten in bepaalde omstandigheden verschillende formeel onderscheiden prestaties die afzonderlijk kunnen worden verricht en zodoende tot belastingheffing of tot vrijstelling kunnen leiden, worden beschouwd als één enkele handeling wanneer zij niet zelfstandig zijn.”
Drankje niet verstrekt tijdens voorstelling
De hoogste rechter is het met de Belastingdienst eens dat de verstrekking van een pauzedrankje voor de heffing van omzetbelasting niet kan worden aangemerkt als een middel om optimaal van de theatervoorstelling gebruik te maken. “Zoals het hof heeft vastgesteld heeft het pauzedrankje ten opzichte van de voorstelling een afzonderlijk belang voor de bezoeker en is het nuttigen van dat drankje niet van belang voor het bijwonen van de uitvoering van de theatervoorstelling; het wordt weliswaar in het gebouw van het theater verstrekt maar dan alleen tijdens de pauze van een voorstelling, en dus niet tijdens die theatervoorstelling.” En daarom kan dat drankje dan niet een middel zijn om optimaal gebruik te kunnen maken van het bijwonen van de voorstelling. “Die vaststellingen betekenen dat het in een theatergebouw tijdens de pauze van een voorstelling (kunnen) nuttigen van een drankje voor de bezoeker als een doel op zich moet worden beschouwd.”
Arrangementsbetoog faalt
De Hoge Raad is het er wel mee eens dat het pauzedrankje een bezoek voor de modale consument aantrekkelijker maakt, maar dat verband is niet genoeg om te spreken van één samengestelde prestatie als dat drankje niet van belang is voor het bijwonen van de voorstelling. “Ook de vaststelling van het hof dat de bezoeker in wezen een compleet ‘arrangement’ van een theatervoorstelling inclusief pauzedrankje en garderobekosten koopt, waarbij het pauzedrankje als een aantrekkelijk tussendoortje of een aantrekkelijke afsluiting van het theaterbezoek kan worden beschouwd, brengt niet met zich dat het pauzedrankje als element van het theaterbezoek onder het verlaagde tarief kan vallen.”
Daarom moet het verstrekken van alcoholische pauzedrankjes bij theatervoorstellingen worden belast naar het algemene omzetbelastingtarief, zo concludeert de Hoge Raad.
Garderobe- en reserveringskosten wezenlijk anders
De theaters schieten mis met hun beroep op het gelijkheidsbeginsel: de prestatie heeft geen gelijksoortige functie als het vooraf tegen vergoeding reserveren of kopen van toegangskaartjes en het gebruik maken van de garderobe, waar ook het verlaagde tarief voor geldt. “Garderobefaciliteiten ontlasten de bezoeker van het tijdens de voorstelling bij zich moeten houden van kledingstukken en bagage. De reserveringskosten die de zaalhouder berekent bij de voorverkoop van toegangsbewijzen, bewerkstelligen juist dat de bezoeker toegang heeft tot de theatervoorstelling. Deze handelingen vervullen dan ook een wezenlijk andere functie dan het aanbieden van een drankje tijdens de pauze van de voorstelling.”
De naheffingen moeten alsnog worden betaald.
