Het ingetrokken standpunt had betrekking op de vraag hoe de btw-correctie moet worden berekend wanneer een auto zowel zakelijk als privé wordt gebruikt. De Kennisgroep ging er daarbij vanuit dat een forfaitaire correctie in bepaalde gevallen kon worden toegepast, ook als het werkelijke privégebruik lager lag.
Forfait onder druk
In het ingetrokken standpunt stelde de Kennisgroep dat de forfaitaire regeling (een vaste correctie op basis van een percentage van de cataloguswaarde) in beginsel leidend was, tenzij de ondernemer overtuigend kon aantonen dat het werkelijke privégebruik lager was. De bewijslast lag daarmee zwaar bij de ondernemer. In de praktijk betekende dit dat veel ondernemers de forfaitaire correctie toepasten, ook als het privégebruik feitelijk beperkt was, omdat het lastig is om een sluitende rittenadministratie te overleggen.
Hoge Raad corrigeert
De Hoge Raad heeft in twee arresten echter duidelijk gemaakt dat deze benadering te kort door de bocht is. Volgens de hoogste rechter moet de btw-correctie aansluiten bij het werkelijke privégebruik van de auto. Een forfaitaire benadering mag wel worden gebruikt als praktische regeling, maar kan niet worden opgelegd als die leidt tot een hogere heffing dan op basis van het daadwerkelijke gebruik gerechtvaardigd is. Daarmee verschuift het uitgangspunt: niet het forfait, maar het werkelijke gebruik is bepalend. Ondernemers moeten de mogelijkheid hebben om aannemelijk te maken dat het privégebruik lager is, zonder dat zij per se een volledig sluitende rittenadministratie hoeven te overleggen.
Gevolgen
Het intrekken van het standpunt kan gevolgen hebben voor lopende en toekomstige btw-correcties op privégebruik van auto’s. Voor adviseurs en ondernemers loont het de moeite kritisch te kijken naar de toegepaste correcties, met name in situaties waarin het privégebruik beperkt is. Mogelijk ontstaat er ruimte om een lagere correctie te verdedigen dan het forfait voorschrijft.
