De man vond dat hij niet in gebreke kon zijn, omdat hij zonder e-mailnotificatie niet op de hoogte was van de naheffingsaanslag en hem daarom geen aanmaningskosten in rekening mochten worden gebracht. De Hoge Raad oordeelt echter dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting rechtsgeldig bekend is gemaakt door plaatsing in de berichtenbox, ook als geen e-mailnotificatie is ontvangen.
Parkeerboete
De zaak draait om een Rotterdamse automobilist die een naheffingsaanslag niet betaalde nadat deze op 11 mei 2022 in zijn berichtenbox van MijnOverheid was geplaatst. Toen betaling uitbleef, volgde een schriftelijke aanmaning met € 8 aan kosten. De belanghebbende voerde aan dat hij nooit een e-mailnotificatie had ontvangen en daarom niet op de hoogte was van de aanslag. Volgens hem kon hij daardoor niet in gebreke zijn en mochten geen aanmaningskosten worden gerekend.
Het hof Den Haag ging daar niet in mee en achtte de aanslag op juiste wijze bekendgemaakt. In cassatie klaagt de belanghebbende onder meer over schending van de artikelen 3:40 en 3:41 Awb en over een onjuiste bewijslastverdeling ten aanzien van de verzending van notificaties.
Oordeel
De Hoge Raad begint met het kader voor invorderingskosten. Op grond van de Kostenwet invordering rijksbelastingen, gelezen in samenhang met de Gemeentewet, kunnen kosten alleen worden berekend als de belastingschuldige in gebreke is. Daarvoor is vereist dat de belastingschuld is geformaliseerd én dat de betrokkene in de gelegenheid is geweest kennis te nemen van de aanslag. In de regel is dat laatste het geval als de aanslag op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Die bekendmaking vond hier plaats langs elektronische weg. Door het activeren van zijn MijnOverheid-account had de belanghebbende kenbaar gemaakt dat hij langs die weg bereikbaar was voor berichten van onder meer de gemeente. Op grond van artikel 2:14 Awb mocht de invorderingsambtenaar de aanslag daarom elektronisch verzenden, oordeelt de Hoge Raad. Volgens artikel 2:17 Awb gebeurt die verzending door plaatsing in de berichtenbox. Daarmee is, aldus de Hoge Raad, voldaan aan artikel 3:41 Awb.
Status e-mailnotificatie
De Hoge Raad oordeelt dat een e-mailnotificatie geen onderdeel is van de wettelijke bekendmakingsvereisten: “Die verzending heeft volgens artikel 2:17, lid 1, Awb (tekst 2022) plaatsgevonden door de plaatsing van de naheffingsaanslag in de berichtenbox op 11 mei 2022. Aldus is de naheffingsaanslag in overeenstemming met artikel 3:41, lid 1, Awb aan belanghebbende bekendgemaakt door elektronische toezending. De verzending en ontvangst van een emailnotificatie, dat wil zeggen een e-mailbericht waarin de betrokkene wordt geattendeerd op de plaatsing van een bericht in zijn berichtenbox van MijnOverheid, zijn geen vereisten om te kunnen aannemen dat dit besluit is bekendgemaakt door verzending in de zin van artikel 3:41, lid 1, Awb.”
Het middel faalt daarom voor zover het betoogt dat het Hof regels over de bekendmaking van besluiten in de Awb heeft geschonden.
Bewijslast
Ook een klacht over de bewijslastverdeling strandt. De automobilist klaagde over een onjuiste verdeling van de bewijslast door het Hof met betrekking tot de verzending van een e-mailnotificatie of een vergelijkbare melding. In een geval als dit, waarin de belanghebbende de ontvangst van een stuk afkomstig van het bestuursorgaan ontkent, zou de bewijslast op dat bestuursorgaan rusten.
De Hoge Raad stelt echter vast dat het systeem van MijnOverheid destijds zo was ingericht dat gebruikers zelf moesten aangeven of zij notificaties wilden ontvangen. De invorderingsambtenaar heeft onweersproken gesteld dat dit het geval was, terwijl de belanghebbende niet heeft aangevoerd dat hij die optie had geactiveerd. Daarmee ontbreekt volgens de Hoge Raad een feitelijk geschilpunt. Op dit punt was een verdeling van de bewijslast dus niet aan de orde.
Andere argumenten
Ten aanzien van de stelling dat een notificatie verplicht zou zijn, is de Hoge Raad kort: onder de destijds geldende regeling bestond een dergelijke verplichting niet. Dat betekent dat het uitblijven van een e-mailmelding op zichzelf geen beletsel vormt voor het in rekening brengen van aanmaningskosten.
De belanghebbende beriep zich daarnaast nog op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep uit 2021. De Hoge Raad maakt duidelijk dat die vergelijking niet opgaat. Die zaak betrof de toegang tot de rechter, terwijl het hier gaat om de vraag of de belastingschuldige in de gelegenheid was kennis te nemen van zijn belastingschuld. Binnen het kader van de Kostenwet ziet de Hoge Raad geen ruimte om aan te nemen dat iemand die geen notificatie ontvangt, desondanks niet in de gelegenheid is geweest kennis te nemen van een in de berichtenbox geplaatst besluit.
Wel laat de Hoge Raad een opening voor uitzonderlijke gevallen waarin beginselen van behoorlijk bestuur aan invorderingskosten in de weg kunnen staan. In deze zaak heeft de belanghebbende echter geen feiten gesteld die daarop wijzen. Dat het bestuursorgaan niet heeft nagevraagd of hij notificaties wilde ontvangen, acht de Hoge Raad onvoldoende.
Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard. Daarmee blijft de € 8 aan aanmaningskosten in stand, en bevestigt de Hoge Raad dat de verantwoordelijkheid voor het raadplegen van de berichtenbox bij de gebruiker ligt, zolang de wet geen notificatieplicht voorschrijft.
