Dat blijkt uit antwoorden van staatssecretaris Eelco Eerenberg van Financiën op Kamervragen van CDA-kamerleden Inge van Dijk en Harmen Koorevaar.
De vragen volgden op berichtgeving over een kennisgroepstandpunt van de Belastingdienst over gefaseerde bedrijfsoverdracht en de inbreng van een onderneming in een bv. Gefaseerde bedrijfsoverdrachten komen in de agrarische sector regelmatig voor en kunnen meerdere jaren duren. Daarbij wordt een onderneming niet in één keer, maar stap voor stap overgedragen aan bijvoorbeeld een kind of andere kwalificerende opvolger.
Vrijstelling bij familieopvolging
Onder voorwaarden geldt bij een bedrijfsoverdracht in de familiesfeer een vrijstelling van overdrachtsbelasting. Die vrijstelling is geregeld in artikel 15, lid 1, onderdeel b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Oorspronkelijk gold de regeling alleen wanneer de gehele onderneming in één keer werd overgedragen aan een kwalificerende overnemer, zoals een kind, kleinkind, broer of zus van de ondernemer.
Sinds eind 2000 kan de vrijstelling ook worden toegepast bij een gefaseerde overdracht. Daarmee werd volgens de staatssecretaris tegemoetgekomen aan de wens uit de praktijk om een geleidelijke overgang van de onderneming naar de volgende generatie mogelijk te maken. Voorwaarde is wel dat de kwalificerende overnemer of overnemers uiteindelijk de gehele onderneming verkrijgen en voortzetten.
Bv is geen kwalificerende verkrijger
Volgens Eerenberg ontstaat het probleem wanneer de opvolger tijdens de gefaseerde overdracht het al verkregen ondernemingsdeel inbrengt in een bv. Een bv behoort namelijk niet tot de kring van kwalificerende verkrijgers. Die kring bestaat uit onder meer kinderen, kleinkinderen, broers en zussen van de ondernemer, of hun echtgenoten.
“Wanneer de kwalificerende verkrijger bij een gefaseerde bedrijfsoverdracht het gedeelte van de onderneming dat hij reeds heeft verkregen inbrengt in een bv, kan de overdracht van de gehele onderneming aan deze verkrijger niet worden voltooid”, schrijft de staatssecretaris. “Gevolg is dat de in een eerdere fase toegepaste vrijstelling dan teruggenomen wordt.”
Het moment waarop de onderneming in een bv wordt ingebracht, is daarmee van belang voor de toepassing van de vrijstelling. Is de bedrijfsoverdracht volledig afgerond, dan bestaat er onder voorwaarden wel ruimte om de onderneming daarna in een bv onder te brengen. In een beleidsbesluit is namelijk een goedkeuring opgenomen voor de situatie waarin de opvolger de volledig verkregen onderneming inbrengt in een bv waarvan hij alle aandelen houdt.
Daarbij blijft wel vereist dat de onderneming voor wat betreft de bedrijfsvoering in haar geheel wordt voortgezet. Volgens Eerenberg is bij een tussentijdse inbreng tijdens een gefaseerde overdracht nog geen sprake van voortzetting van de gehele onderneming, omdat de overdracht dan nog niet is voltooid.
Juridische vormgeving leidend
De CDA-kamerleden vroegen ook of er goede bedrijfseconomische redenen kunnen zijn om een onderneming tijdens de overdrachtsfase in een bv onder te brengen. Daarbij noemen zij onder meer investeringsplannen, uitbreiding en het beperken van persoonlijke aansprakelijkheid.
Eerenberg erkent dat er meerdere redenen kunnen zijn om een onderneming in een rechtspersoon onder te brengen. Naast bedrijfseconomische redenen kunnen ook fiscale motieven of vermogensplanning een rol spelen. Tegelijk benadrukt hij dat het aan de ondernemer is om een rechtsvorm te kiezen en de bedrijfsoverdracht vorm te geven. “De belastingheffing volgt in beginsel de juridische vormgeving”, aldus de staatssecretaris.
Volgens Eerenberg gaat het kennisgroepstandpunt om uitleg van bestaande wet- en regelgeving in een specifieke situatie. Kennisgroepstandpunten zijn bindend voor inspecteurs en moeten bijdragen aan eenheid van beleid en uitvoering binnen de Belastingdienst.
Overleg met landbouwsector
Het kennisgroepstandpunt beperkt zich volgens de staatssecretaris niet tot agrarische ondernemingen. Wel zal de Belastingdienst het agenderen in het Platform Landbouw, waar onder meer LTO Nederland, SRA, VLB en het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur met de Belastingdienst spreken over fiscale knelpunten in de landbouwpraktijk.
De Belastingdienst zal het kennisgroepstandpunt agenderen in het Platform Landbouw. In dat periodieke overleg spreken onder meer LTO Nederland, de Belastingdienst, SRA, VLB en het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over fiscale knelpunten in de landbouwpraktijk.
Daarnaast wordt de familievrijstelling meegenomen in een bredere evaluatie van vrijstellingen in de overdrachtsbelasting. Daarbij wordt gekeken naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van de wetgeving en naar knelpunten uit de praktijk. De resultaten worden in de eerste helft van 2027 aan de Tweede Kamer verwacht.
