De werknemer trad in december 2016 in dienst als titulair directeur van de golfbaanclub, tegen een salaris dat uiteindelijk 8.110,07 euro bruto per maand bedroeg. Begin 2025 werden de aandelen van de werkgever overgedragen aan de Hollandsche Golfbaan Exploitatiemaatschappij (HGE), die op dat moment veertien golfbanen verspreid over Nederland exploiteerde.
HGE stuurt verschillende bedrijfsonderdelen, waaronder personeel, horeca, onderhoud en marketing, centraal aan. Daardoor verviel de lokale managementrol en vroeg de werkgever in maart 2025 bij het UWV toestemming om de directeur om bedrijfseconomische redenen te ontslaan. Het UWV verleende die toestemming in juli, waarna de arbeidsovereenkomst per 1 september 2025 werd opgezegd.
Ontslag aangevochten
De directeur stapte daarop naar de kantonrechter en vroeg om herstel van zijn arbeidsovereenkomst. Volgens hem was zijn functie uitwisselbaar met die van een manager die begin 2025 in dienst was gekomen en had de werkgever bovendien onvoldoende gedaan om hem binnen de onderneming of HGE te herplaatsen. Ook voerde hij aan dat de opzegging verband hield met een overgang van onderneming.
De kantonrechter gaat daar niet in mee. Van een overgang van onderneming is geen sprake omdat alleen de aandelen zijn overgedragen. Ook zijn de functies van de directeur en de manager niet uitwisselbaar. De directeur droeg de eindverantwoordelijkheid, was bevoegd om zelfstandig rechtshandelingen tot 25.000 euro te verrichten en verdiende aanzienlijk meer. Verder heeft de werkgever volgens de kantonrechter voldoende naar herplaatsingsmogelijkheden gekeken. Daarmee is het ontslag wegens bedrijfseconomische redenen rechtsgeldig.
Geen gelegenheid voor vakantie
Nu de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 september 2025 rechtsgeldig is opgezegd, moet er een correcte eindafrekening plaatsvinden. Hierover stelt de werknemer dat de werkgever een vergoeding van € 69.213 bruto aan hem moet betalen voor het openstaande verlofsaldo van 1.369,66 uur. Hij verwijst hierbij naar het LB-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU 22 september 2022, C-120/21, r.o. 57).
In dit arrest is bepaald dat de vakantierechten van een werknemer niet vervallen of verjaren als de werkgever hem niet daadwerkelijk in de gelegenheid heeft gesteld om zijn vakantierechten uit te oefenen.
‘Maar één week verlof per jaar’
De werknemer werkte als senior directeur bij een golfbaanclub. In verband met de twee activiteiten die in de zomer en de winter werden georganiseerd op de golfbaan, kon de werknemer naar eigen zeggen maar één week per jaar verlof opnemen. De werkgever heeft dit standpunt van de werknemer betwist.
De kantonrechter heeft op de mondelinge behandeling aan de werknemer gevraagd wie bij de werkgever verantwoordelijk was voor de verlofaanvragen van het personeel en het verwerken daarvan. Daarop heeft hij verklaard dat de horecamedewerkers verlof aanvroegen bij hem en dat hij de verlofuren bijhield in een overzicht.
Verlofadministratie deel takenpakket
De verlofuren gaf de werknemer vervolgens door aan het accountantskantoor dat de salarisadministratie deed. De kantonrechter maakt hieruit op dat de verlofadministratie onderdeel was van zijn takenpakket en dat hij daarvoor verantwoordelijk was. Dat hij zijn eigen vakantie altijd (praktisch) heeft afgestemd met de voormalig aandeelhouder van de werkgever, maakt dat niet anders. Zijn taken moesten tijdens zijn vakantie worden waargenomen.
Niet achter accountantskantoor verschuilen
De werknemer verklaart daarover dat hij voor zijn verlof een draaiboek maakte met alles waar voormalig aandeelhouder tijdens zijn afwezigheid op moest letten. Daarnaast kan de werknemer zich er niet achter verschuilen dat het accountantskantoor hem nooit heeft geïnformeerd over het verval en de verjaring van (zijn) vakantierechten. Nu de verlofadministratie tot zijn takenpakket en verantwoordelijkheid als directeur behoorde, had hij dit namelijk zelf behoren te weten.
De werkgever erkent dat de werknemer recht heeft op een vergoeding voor 253,33 verlofuren. Omgerekend komt dit volgens haar neer op een bedrag van € 10.917,51 bruto. Dit heeft de werknemer niet weersproken. De kantonrechter wijst dat bedrag toe.
Wettelijke verhoging en rente
De eindafrekening – met daarin de vergoeding voor het openstaande verlofsaldo – moet in de maand na het einde van het dienstverband te worden betaald. Dat is niet gebeurd en daarom maakt de werknemer aanspraak op de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over die vergoeding.
De kantonrechter matigt de wettelijke verhoging tot maximaal 20%. Hiertoe wordt overwogen dat de wettelijke verhoging is bedoeld als prikkel voor de werkgever om het loon (en de eindafrekening) op tijd te betalen. Hieronder valt ook de vergoeding voor het openstaande verlofsaldo.
De werkgever heeft die vergoeding niet betaald bij de eindafrekening, omdat er tussen partijen een geschil bestond over de rechtsgeldigheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst en de omvang van het verlofsaldo. Dat standpunt is verdedigbaar. Verder weegt de kantonrechter mee dat het hier gaat om de eindafrekening en niet om de maandelijkse loonbetaling.
De wettelijke rente over de vergoeding is toewijsbaar vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 oktober 2025.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4135
