
Het Hof Amsterdam is van oordeel dat de box 3-heffing gelet op de algehele financiële situatie van een belastingplichtige en zijn partner geen buitensporige last vormt. Ook indien veronderstellenderwijs er vanuit wordt gegaan dat de man dient in te teren op zijn vermogen om de verschuldigde box 3-heffing te betalen, hetgeen hij ook betoogt, dan nog kan van een zodanige last naar oordeel van het Hof in dit geval geen sprake zijn.
De man had in 2014 geen inkomen uit werk en woning, zijn partner een inkomen van € 18.481. In hun aangiften IB/PVV 2014 hebben hij en zijn partner voor de eigen woning allebei een WOZ-waarde opgegeven van € 160.000 en een aftrekbare (hypotheek)rente van € 1.943. De eigenwoningschuld bedraagt in 2014 nog € 61.261. De bezittingen van de man en zijn fiscaal partner bestaan uit bank- en spaartegoeden (€ 996) en contant geld (€ 98.036).
Belastingaanslag
De inspecteur heeft aan de man in 2017 voor het jaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 837. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van de belastingplichtige en zijn partner bedraagt € 1.883. Hiervan is € 837 aan de man toebedeeld, waarover € 251 inkomstenbelasting verschuldigd is in box 3. Het aan de partner toebedeelde deel bedraagt € 1.046 en dat leidt tot een box 3-heffing van € 313. De totale box 3-heffing voor de man en zijn partner bedraagt € 519 (te weten de totale box 3-heffing € 564 minus € 45 omdat dit door de partner te betalen bedrag onder de aanslaggrens bleef en derhalve op nihil is gesteld).
Hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of de vermogensrendementsheffing voor belanghebbende in het jaar 2014 leidt tot een individuele en buitensporige last. De belastingplichtige stelt dat sprake is van een individuele en buitensporige last, omdat het gezinsinkomen zich onder de armoedegrens bevindt.
Juridisch kader
Voor zover de belastingplichtige heeft bedoeld te stellen dat de vermogensrendementsheffing in het jaar 2014 in strijd is met artikel 1 van het EP overweegt de rechtbank als volgt.
Wat betreft de strijdigheid van de vermogensrendementsheffing op stelselniveau en het al dan niet voorzien in het rechtstekort ziet de rechtbank geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen dan de Hoge Raad heeft gedaan in het arrest voor onder andere het jaar 2014 (Hoge Raad 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816). Het voorgaande betekent dat, ook al zou voor het jaar 2014 een rendement van 1,2% niet meer haalbaar zijn zonder (veel) risico te hoeven nemen, voor een ingrijpen van de rechters geen plaats is, omdat het voor het jaar 2014 niet aan de rechter, maar aan de wetgever was om in het rechtstekort te voorzien.
Volgens vaste rechtspraak van het EHRM is belastingheffing te beschouwen als regulering van eigendom in de zin van artikel 1 van het EP bij het EVRM en dient elke inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom in overeenstemming met het nationale recht te zijn en een legitiem doel in het algemeen na te streven, terwijl een inbreuk slechts is toegestaan indien er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Dit vereist een redelijke verhouding (“fair balance”) tussen voormeld algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Van een dergelijke 
Geen buitensporige last
Voor het onderhavige jaar is niet aannemelijk geworden dat voor de belastingplichtige sprake is van zodanige omstandigheden dat sprake is van een buitensporige last, oordeelt het hof. Het belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt weliswaar nihil, maar de fiscaal partner heeft in 2014 een uitkering ontvangen van € 19.304. Naast het inkomen bezit de belastingplichtige, samen met zijn fiscaal partner, een woning met een WOZ-waarde van € 160.000, waar een hypotheek op rust van € 61.261. De belastingplichtige heeft weliswaar gesteld dat hij geen rendement op zijn spaargeld geniet omdat het om contant geld gaat en de box 3-heffing onevenredig hoog is, maar hij heeft er om hem moverende redenen, vrees voor beslaglegging, voor gekozen om het geld dat eerst op een spaarrekening stond bij de bank contant op te nemen. Daardoor heeft de belastingplichtige geen rendement genoten, terwijl er in 2014 nog wel rendement behaald had kunnen worden door het geld op een spaarrekening te laten staan. De inspecteur heeft ter zitting gesteld dat in 2014 een rendement van 1,5% op spaargeld haalbaar was en de belastingplichtige heeft dat niet weersproken. De belastingplichtige had, gelet daarop, zonder risico te nemen door zijn spaargeld op een spaarrekening aan te houden meer rendement kunnen behalen dan de vermogensrendementsheffing. Dat het gezinsinkomen zich onder de armoedegrens bevindt kan een aanwijzing zijn om te concluderen dat sprake is van een individuele en buitensporige last. In het geval van de belastingplichtige is echter sprake van een significante overwaarde op de eigen woning en heeft de belastingplichtige minder rendement gehaald op zijn vermogen dan de box 3-heffing als gevolg van een bewust door hem gemaakte keuze om het geld niet op een spaarrekening aan te houden maar in contanten om zo het risico van beslaglegging op dat vermogen te verminderen.
De rechtbank komt op grond van het voorstaande tot het oordeel dat eiser in 2014 niet in een zodanige bijzondere positie verkeerde dat voor hem sprake is van een individuele en buitensporige last.

