Een vrouw is buiten gemeenschap van goederen gehuwd met de erflater die in 2018 is overleden. Op het moment van overlijden hield de erflater 100 procent van de aandelen in een bv. Na zijn overlijden verkrijgt de vrouw de volle eigendom van de aandelen volgens de wettelijke verdeling. In de op 15 augustus 2019 ingediende aangifte IB/PVV 2018 van de erflater is geen (fictieve) vervreemding van het aanmerkelijk belang aangegeven.
Hoogte verkrijgingsprijs punt van discussie
In haar aangifte IB/PVV over 2020 geeft de vrouw een verkrijgingsprijs aan van € 274.507,-. Deze bestaat uit agio ter waarde van € 256.356,- en aandelenkapitaal ter waarde van € 18.151,-. De inspecteur wijkt af van de aangifte en bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2020 stelt hij de verkrijgingsprijs van de aandelen vast op € 18.151,-, als het aandelenkapitaal per 1 januari 2018. Voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant is de hoogte van de verkrijgingsprijs van de aandelen in geschil.
De vrouw stelt dat de verkrijgingsprijs van de erflater door stortingen van de erflater in de bv is verhoogd naar € 186.353,- en dat deze verkrijgingsprijs is doorgeschoven naar haar. In de aangifte IB/PVV van de erflater over het jaar 2018 is namelijk geen vervreemdingsvoordeel aangegeven, zodat impliciet is verzocht om de verkrijgingsprijs door te schuiven. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst de vrouw naar de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 januari 2025.
Impliciet verzoek
De rechtbank stelt voorop dat voor toepassing van de doorschuifregeling de gezamenlijke belanghebbenden een schriftelijk verzoek moeten hebben gedaan bij de inspecteur die belast is met de aanslagregeling van de erflater. Een verzoek om doorschuiven kan ook impliciet worden gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van een, al dan niet impliciet, verzoek voor toepassing van de doorschuifregeling.
In de zaak waarnaar de vrouw verwijst, heeft het gerechtshof in hoger beroep geoordeeld dat sprake was van een impliciet verzoek, omdat in de aangifte van de erflaatster geen (fictief) vervreemdingsvoordeel was aangegeven. Door het achterwege laten van dit vervreemdingsvoordeel is destijds kennelijk gekozen voor doorschuiven. In die zaak ging het om het jaar 2011. De inspecteur heeft toegelicht dat er destijds geen mogelijkheid was om in de aangifte aan te kruisen dat er verzocht werd om een geruisloze doorschuiving van de verkrijgingsprijs. Die mogelijkheid is er sinds 2015 wel.
Materiële onderneming is wel van belang
Tijdens de zitting verklaarde de vrouw dat het verzoek om geruisloze doorschuiving van de verkrijgingsprijs in de aangifte van de erflater over het jaar 2018 niet is aangekruist, omdat men zich destijds niet heeft gerealiseerd dat zou moeten worden afgerekend. Ook realiseerde men zich niet dat door het aanvinken van een kruisje in de aangifte kon worden verzocht om een geruisloze doorschuiving. Omdat de vrouw, naar het oordeel van de rechtbank, in de aangifte van de erflater een verzoek voor toepassing van de doorschuifregeling had kunnen doen en zij dit ook had moeten doen, maar zij dit toch heeft nagelaten, is niet voldaan aan de voorwaarde voor toepassing van de doorschuifregeling.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw uit de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 januari 2025 niet de conclusie kan trekken dat het niet van belang is of sprake is van een materiële onderneming. Doorschuiving van de verkrijgingsprijs is alleen mogelijk indien de vennootschap waarop de aandelen betrekking hebben een onderneming drijft. In de zaak waarnaar de vrouw verwijst, concludeerde het gerechtshof dat de belanghebbenden bij de aangifte van de erflaatster kennelijk van mening waren dat sprake was van een materiële onderneming en dat zij gekozen hebben voor toepassing van de doorschuiffaciliteit.
Constitutieve voorwaarde
Omdat de inspecteur is uitgegaan van de juistheid van de aanslag en de aanslag onherroepelijk is geworden, was het antwoord op de vraag of sprake was van een materiële onderneming niet langer relevant. De rechtbank geeft aan dat het in deze zaak anders is. De vrouw heeft in de aangifte juist niet gekozen voor toepassing van de doorschuiffaciliteit, terwijl deze mogelijkheid wel op het aangiftebiljet vermeld was.
Daarnaast heeft de gemachtigde van de vrouw erkend dat ten tijde van het overlijden van de erflater de bv geen materiële onderneming dreef. Ook aan deze constitutieve voorwaarde voor toepassing van de doorschuifregeling is naar het oordeel van de rechtbank dus niet voldaan, zodat doorschuiving ook niet tot de mogelijkheden behoorde.
Tegenprestatie ontbreekt
Nu een tegenprestatie ontbreekt, dient de verkrijgingsprijs te worden vastgesteld op de waarde in het economisch verkeer. De inspecteur heeft, naar het oordeel van de rechtbank, gesteld dat de waarde in het economisch verkeer ten tijde van de verkrijging zeker niet hoger was dan het gestorte en geplaatste aandelenkapitaal. Dit is door de vrouw niet betwist. Dat betekent dat de inspecteur terecht rekening heeft gehouden met een verkrijgingsprijs van de aandelen van € 18.151,-, als het gestorte en geplaatste aandelenkapitaal op 1 januari 2018.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, ECLI:NL:RBZWB:2026:7358