Een dochter die in 1993 is geboren is ongehuwd, heeft geen geregistreerd partnerschap en woont samen met haar moeder in een woning waarvan zij samen (ieder voor de onverdeelde helft) eigenaar zijn. Een inspecteur stelt de dochter vragen over de in de aanslag IB/PVV 2019 en de aanslag IB/PVV 2020 vastgestelde aftrek voor dieetkosten van haar moeder. De inspecteur accepteert de aftrek in verband met specifieke zorgkosten niet.
Huisgenoten en eigenaar van woning
In de aangifte van de dochter over 2019 geeft zij aan dat haar moeder haar huisgenoot is, dat zij samen heel 2019 op hetzelfde huisadres wonen en zij beiden eigenaar van de woning zijn die hun hoofdverblijf is. Ook geeft zij aan dat ze niet samen aangifte wil doen.
De inspecteur legt een navorderingsaanslag aan de dochter op naar aanleiding van de bezwaarprocedure tegen de aanslag IB/PVV 2019 van haar moeder. De inspecteur heeft hierbij de aftrek voor dieetkosten niet toegestaan en het drempelbedrag voor de aftrek specifieke zorgkosten gecorrigeerd, omdat er ook geen rekening is gehouden met een fiscaal partnerschap.
In de ingediende aangifte over het jaar 2020 geeft de dochter aan dat haar moeder haar huisgenoot is, dat zij samen heel 2020 op hetzelfde huisadres wonen en zij beiden eigenaar van de woning zijn die hun hoofdverblijf is. Ook geeft zij aan dat ze niet samen aangifte wil doen.
Later stelt de dochter dat zij over 2020 ook recht heeft op giftenaftrek omdat zij vrijwilligerswerk doet voor het Rode Kruis zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen. Bij haar bezwaar tegen de navorderingsaanslag dient zij een herziene aangifte in waarin zij € 1.488 aan giftenaftrek claimt.
De rechtbank Noord-Nederland beoordeelt of de navorderingsaanslagen die de inspecteur heeft opgelegd over 2019 en 2020 terecht zijn opgelegd en of deze niet te hoog zijn vastgesteld. Daarbij is het meer nog de vraag of de aftrek van zorgkosten en giften door de inspecteur juist is beoordeeld.
Softwarefout
De dochter stelt dat zij de aangiften op de juiste wijze heeft ingediend, haar moeder is namelijk haar huisgenoot en ook eigenaar van de woning. Dat er dan door het systeem wordt gevraagd voor en van wie de zorgkosten zijn, moet wel voortkomen uit een softwarefout en moet de Belastingdienst zelf oplossen, vindt zij. Dat de Belastingdienst dit heeft nagelaten, komt dan voor hun risico waardoor de dochter meent recht te hebben op de aftrek voor dieetkosten van haar moeder in haar aangifte.
Volgens de inspecteur heeft de dochter ten onrechte aangegeven dat de moeder haar huisgenoot is. De moeder is in het normale taalgebruik weliswaar de huisgenoot van haar dochter, maar zo wordt het niet bedoeld in de aangifte. De dieetkosten zijn naar zijn mening terecht nagevorderd omdat er geen sprake is van fiscaal partnerschap tussen de dochter en haar moeder en zij enkel de door haar zelf gemaakte dieetkosten in de aangifte IB/PVV 2019 en 2020 in aftrek mag brengen.
Geen sprake van fiscaal partnerschap
De rechtbank verwijst voor het fiscaal partnerschap naar een eerdere uitspraak in de zaken van de moeder. Daarin oordeelde de rechtbank dat bij de aangiften een fout was gemaakt. Op het moment dat een ouder samen met een kind woont, kan voor de betreffende vraag in de aangifte alleen sprake zijn van ‘huisgenoten’ als beiden op 31 december van het jaar ervoor 27 jaar of ouder zijn.
Op 31 december 2018 is de dochter 25 jaar oud en op 31 december 2019 is de dochter 26 jaar oud. Dit betekent dat de dochter op beide momenten nog geen 27 jaar oud is en daarom had bij de vraag ‘Had u in 2019 een huisgenoot’ het antwoord ‘nee’ moeten worden ingevuld. Door hier ‘nee’ in te vullen is ook automatisch geen sprake van fiscaal partnerschap en volgt niet meer de vraag over het verdelen van de zorgkosten.
De rechtbank komt in de zaak van de dochter tot hetzelfde oordeel dat geen sprake kan zijn van fiscaal partnerschap. Vast staat dat de dochter de vraag over het hebben van een huisgenoot met ‘ja’ heeft beantwoord bij het doen van aangifte. Als gevolg hiervan wordt de dochter in het systeem als fiscaal partner van haar moeder aangemerkt, ook al is dit volgens de Wet Inkomstenbelasting 2001 niet mogelijk.
De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om vast te stellen of sprake is van een softwarefout. Maar of er nu sprake is van een softwarefout of niet, de dochter kon er volgens de rechtbank niet op vertrouwen dat de nadelige gevolgen, de correctie via de navorderingsaanslag, automatisch voor rekening van de inspecteur zouden komen. De inspecteur heeft daarom terecht de aftrek van dieetkosten van moeder niet toegestaan bij de dochter.
Geen giftenaftrek aan Rode Kruis
Wat betreft de giftenaftrek komt de rechtbank tot het oordeel dat er geen recht bestaat op giftenaftrek voor het afzien van een vrijwilligersvergoeding aan het Rode Kruis. Daarvoor is het vereist dat de vrijwilliger daadwerkelijk recht heeft op een vergoeding om deze als giftenaftrek in de aangifte aan te kunnen merken.
Tijdens de zitting bevestigt de dochter dat het Rode Kruis geen vrijwilligersvergoedingen betaalt en zij daar dus ook geen recht op had. Het is daarom, naar het oordeel van de rechtbank, niet mogelijk om af te zien van een vergoeding en deze vervolgens als giftenaftrek op te nemen in de aangifte.
Door het lang uitblijven van een uitspraak op bezwaar is de rechtbank van oordeel dat de dochter recht heeft op een vergoeding van immateriële schade. Op de zitting is vastgesteld dat de redelijke termijn van twee jaar is verstreken, waarbij wel sprake is van een verlenging van die termijn. De immateriële schadevergoeding bedraagt € 500,-.
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond maar veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan de dochter.
Rechtbank Noord-Nederland, ECLI:NL:RBNNE:2026:3287
