Een man heeft in 2020 giften gedaan aan goededoeleninstellingen in Duitsland en Zwitserland. Die goede doelen hebben in Nederland geen aanvraag gedaan om als algemeen nut beogende instelling (anbi) te worden aangemerkt. De giften van de man zijn om die reden niet aftrekbaar, maar hij is het daar niet mee eens en kaart de kwestie aan bij de rechter.
Hof: geen belemmering vrij verkeer
De zaak belandt in 2024 bij het gerechtshof, waar wordt gediscussieerd over de vraag of het op grond van Europese regels wel is toegestaan om zo’n anbi-registratie-eis te hanteren. De buitenlandse instellingen zijn door de lokale belastingautoriteiten naar buitenlandse maatstaven immers wél erkend als algemeen nut beogend, vindt de gulle gever. Bovendien voldoen de goede doelen ook aan de Nederlandse materiële voorwaarden om een anbi-status te verkrijgen.
Maar het hof weigert aftrek toe te staan. In de Nederlandse wet wordt geen onderscheid gemaakt tussen giften aan een in Nederlands of buitenlandse anbi en daarom is er geen sprake van een belemmering van het vrije verkeer van kapitaal in juridisch opzicht. Iedereen kan namelijk een anbi-status aanvragen. En die registratievoorwaarde is begrijpelijk omdat op die manier de handhaafbaarheid van de controle op instellingen kan worden gewaarborgd, zo is het oordeel.
Prejudiciële vraag
De man gaat in cassatie, want hij blijft erbij dat Nederland fiscale voordelen voor giften aan instellingen die in een andere lidstaat als instellingen van algemeen nut zijn erkend, niet mag weigeren enkel en alleen omdat Nederland niet de mogelijkheid zou hebben bij de begiftigde instelling na te gaan of is voldaan aan de eisen van de wetgeving van de lidstaat waar die instelling is gevestigd. Is het niet voldoende als je als gever kunt bewijzen dat de buitenlandse goede doelen voldoen aan de voorwaarden voor erkenning als anbi, is de prejudiciële vraag die de man graag aan het Europese Hof van Justitie gesteld zou zien worden.
Geen onderscheid naar vestigingsplaats
Maar de hoogste rechter willigt zijn verzoek niet in. Het uitsluiten van de anbi-regeling is niet gebeurd omdat de goede doelen in het buitenland zijn gevestigd. “De registratievoorwaarde maakt immers juridisch geen onderscheid naar vestigingsplaats. Ook leidt zij niet tot een indirect onderscheid naar vestigingsplaats. Het betreft geen voorwaarde die naar haar aard, gelet op de kenmerken ervan, in het buitenland gevestigde instellingen meer treft dan in Nederland gevestigde instellingen.” Een indirect onderscheid naar vestigingsplaats is ook niet aannemelijk op grond van de omstandigheid dat een in Nederland woonachtige of gevestigde belastingplichtige mogelijk minder snel zal zijn geneigd een gift te doen aan een niet-ingezeten anbi die niet als zodanig is geregistreerd.
Procedure niet onredelijk bezwarend
Is de procedure voor de aanvraag van een registratie als anbi in Nederland dan onredelijk bezwarend voor buitenlandse instellingen? Nee, voor zover de aanname is dat de aanvraag in de Nederlandse taal zou moeten worden gedaan. En de aanvraagprocedure is voor Nederlandse instellingen even bewerkelijk als voor buitenlandse, aldus de Hoge Raad. “Van de voorwaarden die de Nederlandse wettelijke regeling in het kader van de aanvraagprocedure stelt, kan niet worden gezegd dat die voorwaarden per definitie of in feite voornamelijk slechts kunnen worden vervuld door in Nederland gevestigde instellingen, en evenmin dat niet-ingezeten instellingen daardoor in feite van die regeling worden uitgesloten doordat het voor hen onmogelijk of uiterst moeilijk zou zijn om aan die voorwaarden te voldoen.”
De Hoge Raad ziet daarom geen reden om een prejudiciële vraag te gaan stellen.
