Ook voldoet hij met zijn fiscale loon aan de voorwaarde van specifieke deskundigheid, oordeelt de rechtbank Noord-Holland.
Een buitenlandse student staat op 5 september 2023 als niet-ingezetene ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijft in Nederland bij een vriend. Hij loopt van 1 oktober 2023 tot 1 april 2024 stage bij een bedrijf, waarvoor hij een brutovergoeding van 500 euro per maand en een reiskostenvergoeding krijgt. Vanaf 1 februari 2024 treedt hij in dienst bij een concernvennootschap als junior data engineer. Vervolgens neemt hij zijn intrek in een huurappartement. Vanaf 7 maart 2024 staat de student ingeschreven als ingezetene.
Na het behalen van zijn masterdiploma in data science gaat hij per 1 september 2024 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan voor de functie van junior data engineer, onder nagenoeg dezelfde voorwaarden als in het contract van 30 januari 2024. Daarbij wordt als lunchvergoeding een bedrag van 3,90 euro per maaltijd vermeld. De inspecteur weigert het verzoek om toepassing van de 30%-regeling.
Ingekomen werknemer?
De student overlegt tijdens de beroepsfase loonstroken over de maanden februari 2024 tot en met augustus 2024, waaruit blijkt dat in die maanden telkens een bedrag van 69,55 euro aan “bijtelling lunch” in aanmerking is genomen. In geschil voor de rechtbank Noord-Holland is of de inspecteur terecht toepassing van de 30%-regeling heeft geweigerd. Daarbij draait het met name om de vraag of de student is aan te merken als ingekomen werknemer in de zin van artikel 10e, tweede lid, onderdeel b, van het UBLB en of hij beschikt over de vereiste specifieke deskundigheid.
Volgens de inspecteur begon de tewerkstelling van de student in Nederland al op 1 oktober 2023. Op dat moment kwalificeerde hij niet als ingekomen werknemer, omdat hij niet beschikte over de vereiste specifieke deskundigheid. Ook op 30 januari 2024, toen de arbeidsovereenkomst tot stand kwam, was daarvan volgens de inspecteur geen sprake. De student woonde en werkte toen immers al in Nederland en was volgens de fiscus niet uit het buitenland aangeworven.
Stage houdt verband met scriptie
De student stelt daar tegenover dat hij op 30 januari 2024 werd aangeworven terwijl hij in het kader van zijn studie stage liep. De stagewerkzaamheden hielden verband met zijn studie en het schrijven van zijn scriptie en op dat moment had hij zijn masteropleiding nog niet afgerond. Daarmee is volgens hem voldaan aan de uitzondering die de Hoge Raad heeft geformuleerd voor situaties van opleiding of stage. Anders dan de inspecteur meent hij dat daarvoor niet is vereist dat de stage onderdeel uitmaakt van het curriculum.
De rechtbank stelt voorop dat de arbeidsovereenkomst op 30 januari 2024 is gesloten. Dat is daarom het moment waarop moet worden beoordeeld of de student aan de voorwaarden voor toepassing van de 30%-regeling voldoet. Uit arresten van de Hoge Raad volgt dat voor de vraag of een werknemer uit een ander land is aangeworven, moet worden beoordeeld of de werkgever de arbeidsovereenkomst aanging op een moment waarop de werknemer zijn woonplaats buiten Nederland had en niet, anders dan in situaties als opleiding of stage, in Nederland werkzaam was.
Geen verplicht onderdeel studie
Vaststaat dat de stage geen verplicht onderdeel van de studie was en dat de universiteit geen partij was bij de stageovereenkomst. De student verklaarde dat hij in het kader van zijn masteropleiding stage ging lopen om meer kennis en praktijkervaring op te doen op het gebied van data science, zodat hij zijn scriptie over datzelfde onderwerp met goed gevolg kon afronden. Tijdens de stage werkte hij vooral aan zijn scriptie. Het onderwerp daarvan had niets te maken met de werkzaamheden van de inhoudingsplichtige.
Volgens de rechtbank kwalificeert de situatie als een stage in het kader van de opleiding. De stageovereenkomst was naar aard en invulling primair gericht op het vergaren van kennis en de persoonlijke ontwikkeling van de student, en niet zozeer op het verrichten van arbeid in ruil voor loon. Daarbij weegt mee dat hij voor 40 uur per week slechts 500 euro bruto per maand ontving, naast een reiskostenvergoeding van maximaal 300 euro. Ook verrichtte hij volgens zijn door de rechtbank geloofwaardig geachte verklaring geen productief werk voor het bedrijf.
Dat de stage geen onderdeel uitmaakte van het curriculum, maakt volgens de rechtbank niet uit. Een dergelijk vereiste volgt niet uit de wettelijke bepalingen en evenmin uit het relevante besluit van de staatssecretaris van Financiën. De werkzaamheden tijdens de stage gelden daarom voor de toepassing van de 30%-regeling niet als werken in Nederland. De stage staat de kwalificatie als ingekomen werknemer dus niet in de weg.
Nog geen duurzame band met Nederland
Vervolgens beoordeelt de rechtbank of de student op 30 januari 2024 in Nederland woonde. Daarvoor is bepalend of hij op dat moment een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had.
Volgens de rechtbank was daarvan nog geen sprake. De student kwam in september 2023 naar Nederland en verbleef als logé bij een vriend. Op 30 januari 2024 woonde hij daar nog steeds en beschikte hij niet over eigen woonruimte. Hij stond als niet-ingezetene ingeschreven in de BRP, met een woonadres in zijn land van herkomst.
Ook verklaarde de student dat pas bij zijn indiensttreding de intentie ontstond om langdurig in Nederland te blijven. Pas daarna huurde hij eigen woonruimte en vanaf 7 maart 2024 schreef hij zich als ingezetene in. Verder kon hij met zijn stagevergoeding niet in zijn levensonderhoud voorzien, leefde hij mede van spaargeld, was hij in zijn land van herkomst sociaal verzekerd en woonden zijn familie en vrienden daar. De rechtbank concludeert daarom dat hij bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst geen fiscaal inwoner van Nederland was.
Omdat hij op 30 januari 2024 niet in Nederland woonde en hier alleen in het kader van een stage of opleiding werkzaamheden verrichtte, is hij volgens de rechtbank een ingekomen werknemer die uit het buitenland is aangeworven.
Specifieke deskundigheid
Voor toepassing van de 30%-regeling moet de student ook beschikken over specifieke deskundigheid. Daarvan is in 2024 sprake als het loon op jaarbasis meer bedraagt dan 46.107 euro.
Volgens de inspecteur haalt de student die grens niet. Op basis van de arbeidsovereenkomst zou hij recht hebben op een bruto jaarloon van 46.076,90 euro. Daarbij rekent de inspecteur met een lunchvergoeding van 3,35 euro per maaltijd gedurende 214 werkdagen, oftewel 716,90 euro per jaar.
De student wijst erop dat in de arbeidsovereenkomst van 30 januari 2024 weliswaar een bedrag van 3,35 euro per maaltijd staat, maar dat dit het fiscale normbedrag voor 2020 was. Het was volgens hem steeds de bedoeling om aan te sluiten bij het normbedrag voor 2024 van 3,90 euro per maaltijd.
Vergissing in arbeidsovereenkomst
De rechtbank acht die verklaring geloofwaardig. Uit de tekst van de overeenkomst leidt de rechtbank af dat partijen wilden aansluiten bij de fiscale normbedragen. Feitelijk komt dat neer op 69,55 euro per maand of 834,60 euro per jaar. Volgens de rechtbank is aannemelijk dat bij het opstellen van de arbeidsovereenkomst in 2024 per vergissing het normbedrag uit 2020 is vermeld.
Die vergissing werd bij de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van 2 augustus 2024 hersteld. Daarin werd, naast de looptijd, alleen het bedrag van de lunchvergoeding gewijzigd. Ook de inhoudingsplichtige bevestigde schriftelijk dat partijen vanaf het begin uitgingen van 69,55 euro per maand.
Van doorslaggevend belang vindt de rechtbank dat uit de loonstroken over februari tot en met augustus 2024 blijkt dat vanaf het begin iedere maand daadwerkelijk 69,55 euro als “bijtelling lunch” in het loon is meegenomen. Daarmee kwam het fiscale loon in 2024 uit op 46.194,60 euro. Dat is hoger dan de geldende loonnorm van 46.107 euro, zodat de student ook aan de voorwaarde van specifieke deskundigheid voldoet.
De rechtbank concludeert dat de student bij het aangaan van de dienstbetrekking aan alle vereisten voor toepassing van de 30%-regeling voldeed. Omdat het verzoek in augustus 2025 werd gedaan, gaat de regeling in op 1 september 2025. Van de maximale looptijd van vijf jaar worden 23 maanden afgetrokken wegens eerder verblijf en eerdere tewerkstelling in Nederland. Daardoor kan de student vanaf 1 september 2025 nog 37 maanden aanspraak maken op de 30%-regeling.
Rechtbank Noord-Holland, ECLI:NL:RBNHO:2026:5589
