Een man staat van 1 augustus 2018 tot 6 december 2019 op de loonlijst van de bv van zijn zoon. De zoon is in 2019 eigenaar van alle aandelen en statutair bestuurder van de bv die is opgericht op 29 januari 2018. In de door de bv ingediende aangiften loonheffingen is het jaarloon 2019 van de man van € 18.244,- aangegeven en het jaarloon van € 7.971,- van 2018. Op het loon over 2019 van de man is volgens de aangiften loonheffingen € 1.542,- aan loonheffing ingehouden en afgedragen door de bv.
In zijn aangifte IB/PVV over 2019 geeft de man een bedrag van € 18.244,- aan van de bv genoten loon en hetzelfde bedrag verantwoordt hij als negatief resultaat uit overige werkzaamheden. Ook neemt de man een AOW-uitkering en pensioeninkomsten ten bedrage van in totaal € 11.169,- op in de aangifte IB/PVV 2019. Bij het vaststellen van de aanslag corrigeert de inspecteur het negatief resultaat uit overige werkzaamheden.
Is sprake van genieten van loon?
In geschil voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant is of de man loon als bedoeld in 10, lid 1, Wet op de loonbelasting 1964 van de bv heeft genoten. De man stelt dat hij het ontvangen loon als negatief resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking heeft genomen omdat hij dit bedrag feitelijk niet van de bv heeft ontvangen. Hij stelt bovendien dat hij in 2019 voor de bv geen werkzaamheden heeft verricht, zodat geen sprake is van arbeid en aldus ook geen sprake is van loon in zowel fiscale als civiele zin. Omdat het loon volgens de man niet vorderbaar en inbaar is bewust de bewijslast hiervoor op de inspecteur.
De rechtbank overweegt dat loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking wordt genoten. Of sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 2, lid 1, Wet LB 1964 is maatgevend of is voldaan aan de eisen van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 Burgerlijk Wetboek.
Die eisen zijn onder anderen: een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Niet alleen van belang is welke rechten en verplichtingen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar ook de wijze waarop partijen aan hun overeenkomst uitvoering hebben gegeven en daaraan aldus inhoud hebben gegeven
Privaatrechtelijke dienstbetrekking
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht heeft gesteld dat de man gedurende het jaar 2019 een arbeidsovereenkomst met de bv had. Uit de gedingstukken kan namelijk worden afgeleid dat de man een arbeidsovereenkomst had voor 40 uur per week en dat de toenmalige adviseur heeft verklaard dat de man degene is die de onderneming feitelijk exploiteert. Het standpunt van de man dat hij geen arbeid voor de bv heeft verricht, staat haaks op hetgeen in het bezwaarschrift staat vermeld, namelijk dat hij de zoon wilde helpen met het opbouwen van de onderneming.
In het hoger beroep, dat dient voor gerechtshof ’s-Hertogenbosch, ontkomt de man, met de verklaring dat het opbouwen van de onderneming slechts bestond uit minimale advisering, niet aan het feit dat arbeid is verricht. Het is voor het hof ook duidelijk dat de man in 2019 op de loonlijst van de bv staat vermeld. Gelet op deze omstandigheden is sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
Volgens het hof heeft de inspecteur ook aannemelijk gemaakt dat sprake is van een arbeidsbeloning. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de bv het bedrag van € 18.244,- als door de man genoten loon, waarvoor hij op de loonlijst van de bv staat opgenomen, in de aangiften loonheffingen heeft verantwoord en de daarover verschuldigde loonheffingen heeft afgedragen.
De stelling van de man dat het bedrag van € 18.244,- in 2019 niet ten laste van de fiscale winst van de vennootschap is gebracht, faalt naar het oordeel van het hof omdat de inspecteur tijdens de zitting afschriften van de aanslag Vpb 2019 en de verminderingsbeschikking Vpb 2019 heeft overgelegd. Op basis van de inhoud van deze stukken, in onderling verband bezien, heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat de bv in 2019 het bedrag van € 18.244,- als salariskosten van de man ten laste van haar winst heeft gebracht.
Vorderbaar en inbaar
Het is voor het hof aannemelijk dat het bedrag van € 18.244,- in 2019 vorderbaar en inbaar was als bedoeld in artikel 13a, lid 1, letter b, Wet LB 1964 en dat de man aldus loon heeft genoten. De man heeft onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld die tot de door hem getrokken conclusie leiden dat het loon niet vorderbaar en inbaar was. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de man in de bezwaarfase heeft gesteld dat hij geen loon heeft ontvangen om reden dat dit loon nadelige gevolgen heeft voor de over 2019 ontvangen toeslagen. De man, op wie de stelplicht rust, heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die tot de conclusie kunnen leiden dat het bedrag aan loon als negatief resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking mag worden genomen.
Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur het bedrag van € 18.244,- aan negatief resultaat uit overige werkzaamheden terecht gecorrigeerd.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, ECLI:NL:GHSHE:2025:2783
