Dat blijkt uit een doorrekening van verschillende beleidsopties door het Centraal Planbureau (CPB), in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Het CPB onderzocht hoe veranderingen in de hoogte en maximale duur van de WW doorwerken in de werkloosheidsduur en de structurele werkgelegenheid. Een kortere uitkeringsduur leidt volgens de berekeningen tot een beperkte toename van het aantal werkenden. Voor de overheidsfinanciën levert een verkorting of verlaging van de WW een besparing op, terwijl een hogere uitkering juist tot extra uitgaven leidt.
Nieuwe inzichten over werkloosheidsduur
Voor de doorrekening heeft het CPB de zogenoemde uitkeringselasticiteiten geactualiseerd. Deze geven aan in hoeverre de werkloosheidsduur verandert wanneer de hoogte of maximale duur van een werkloosheidsuitkering wordt aangepast.
Op basis van recent wetenschappelijk onderzoek heeft het CPB de elasticiteit voor de maximale uitkeringsduur verhoogd van 0,3 naar 0,4. Dat betekent dat een verlenging van de maximale WW-duur met 1 procent naar schatting leidt tot een stijging van de werkloosheidsduur met 0,4 procent.
De elasticiteit voor de hoogte van de uitkering blijft ongewijzigd op 0,8. Een verhoging van de uitkering met 1 procent leidt daarmee naar schatting tot een 0,8 procent langere werkloosheidsduur.
Nieuwe cijfers voor toekomstige beleidsplannen
De geactualiseerde schattingen zijn gebaseerd op recente internationale wetenschappelijke literatuur en een beperkt aantal beschikbare Nederlandse studies. Het CPB past de nieuwe elasticiteiten in deze doorrekening voor het eerst toe bij het berekenen van de werkgelegenheidseffecten van veranderingen in de WW.
De nieuwe inzichten worden voortaan ook gebruikt bij toekomstige doorrekeningen van beleidsvoorstellen rond werkloosheidsuitkeringen. Daarmee kunnen de geraamde effecten van aanpassingen van de WW-duur anders uitvallen dan bij eerdere berekeningen.
De volledige doorrekening is hier te vinden.
