Een man is in 2019 directeur en enig aandeelhouder van een holding BV die alle aandelen houdt in een BV die een schoonheidssalon exploiteert. In de maandelijkse aangiften loonheffing over 2019 van de BV staat de dga als contactpersoon op papier. Namens de holding BV doet hij een verzoek aan de inspecteur van de Belastingdienst om een fiscale eenheid voor de omzetbelasting tussen de holding BV en de BV. Na een aanmaning om aangifte te doen dient hij de aangifte IB/PVV 2019 in december 2020 in. De inspecteur corrigeert die met een gebruikelijk loon van € 26.470,-.
Fictief loon
Voor het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden stelt de dga dat hij vanwege medische redenen geen feitelijke werkzaamheden heeft verricht voor de BV, zodat niet aan de vereisten voor fictief loon is voldaan. De werkzaamheden die hij wel heeft verricht, zijn geschied op arbeidstherapeutische basis. De dga is van mening dat daarom van een lager gebruikelijk loon moet worden uitgegaan.
Tijdens de zitting verklaart zijn echtgenote dat haar echtgenoot in januari 2019 met hartproblemen, een longontsteking en hoge koorts in het ziekenhuis was opgenomen. Volgens haar had het voor de hand gelegen dat haar echtgenoot zijn dga-positie had afgestaan aan haar na zijn steeds falende gezondheid Maar door de nasleep van haar (persoonlijk) faillissement mocht zij van de banken geen dga-positie innemen. Haar echtgenoot had als dga uitsluitend een adviserende en coachende rol in de BV. Over zakelijke inbreng of arbeid was dan ook geen sprake en was het puur een formaliteit.
Meestverdienende werknemer
Voor het hof staat vast dat de dga een aanmerkelijk belang heeft in BV. Niet in geschil is dat de echtgenote van de dga in 2019 de meestverdienende werknemer van de BV is met een jaarloon van € 26.470,-. Onder verwijzing naar het hoogste loon van de overige werknemers heeft de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2019 het gebruikelijk loon gesteld op € 26.470,-.
De dga stelt dat hij geen arbeid heeft verricht voor de BV en dat daarom de gebruikelijkloonregeling geen toepassing vindt. Het is daarom aan de inspecteur om te bewijzen dat de dga in het jaar 2019 wel arbeid voor de BV heeft verricht. De inspecteur stelt dat de dga in 2019 diverse administratieve werkzaamheden voor de BV heeft verricht.
Zo is de dga contactpersoon bij de maandelijkse aangiften loonheffing voor de BV en heeft hij verzocht om toepassing van de fiscale eenheid voor de holding en de BV. Vragen van de inspecteur om informatie heeft hij beantwoord en dit toegelicht in een telefoongesprek. Verder heeft de dga bezwaar gemaakt tegen de aanslag Vpb voor het jaar 2016 en heeft hij namens de BV uitgebreid gecorrespondeerd met de inspecteur over dat bezwaar.
Het hof is van oordeel dat de inspecteur met de verwijzing naar de voor de BV verrichte (administratieve) werkzaamheden in zijn bewijslast is geslaagd. De verklaringen van de huisarts en echtgenote over de gezondheidstoestand van de dga doen niets af aan het feit dat de dga deze werkzaamheden heeft verricht. Deze verklaringen tasten het genoemde bewijsoordeel niet aan.
Lager gebruikelijk loon niet aangetoond
Vervolgens is het, naar het oordeel van het hof, aan de dga om te bewijzen dat ter zake van de meest vergelijkbare dienstbetrekking waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een lager loon gebruikelijk is (artikel 12a, lid 2, Wet LB 1964). Met de enkele verwijzing naar de verklaringen van de huisarts en zijn echtgenote is de dga niet in deze bewijslast geslaagd. Uit deze verklaring kan bovendien niet worden afgeleid dat de dga om medische redenen slechts tot arbeidstherapeutische werkzaamheden in staat is waarmee geen loon kan worden genoten.
Omdat de dga de aangifte IB/PVV 2019 niet heeft gedaan binnen de door de inspecteur in de aanmaning gestelde termijn, ondanks een herinnering en aanmaning, is de opgelegde verzuimboete daarom terecht. Nu het hoger beroep ongegrond is verklaard kan om die reden ook geen schadevergoeding worden toegekend.
Gelet hierop is de aanslag IB/PVV 2019, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, niet tot een te hoog bedrag vastgesteld en is de verzuimboete terecht opgelegd.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2026:4305
