Zijn boekhoudkantoor werd voor dezelfde feiten ook strafbaar verklaard, maar krijgt vanwege het forse tijdsverloop geen straf opgelegd.
De zaak maakt deel uit van het strafrechtelijke onderzoek Gotham. De accountant was in 2016 enig aandeelhouder en bestuurder van het boekhoudkantoor en als enige verantwoordelijk voor de boekhouding en de belastingaangiften. Het kantoor verrichtte onder meer werkzaamheden voor een andere onderneming. Die ontving op 1 oktober 2016 een factuur van 181.500 euro: 150.000 euro voor verrichte en nog te verrichten werkzaamheden en 31.500 euro omzetbelasting. Vier dagen later werd de factuur volledig betaald.
De afnemer verwerkte de omzetbelasting vervolgens in zijn eigen aangiften. Bij het boekhoudkantoor gebeurde het tegenovergestelde: de factuur kwam niet terug in de aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2016 en evenmin in de aangifte vennootschapsbelasting over 2016. Dat die aangiften onjuist waren, stond in de strafzaak niet ter discussie. Het geschil draaide vooral om de vraag of sprake was van opzet.
Bedrag als lening geboekt
De accountant verklaarde tegenover de FIOD verklaard dat de ontvangen 181.500 euro als lening in de administratie was verwerkt. Het kantoor had op dat moment schulden die moesten worden terugbetaald en onvoldoende liquiditeit. Ook stonden nog kosten voor verrichte werkzaamheden open. Na ontvangst van het geld zou met betrokken partijen zijn besproken dat het bedrag toch als lening moest of mocht worden beschouwd.
Volgens de verdediging was het niet opmaken van een creditfactuur en het onjuist verwerken van de factuur in de boekhouding geen opzettelijk handelen, maar een fout in een onstuimige periode waarin de accountant onder veel stress stond. Maar de rechtbank gaat daar niet in mee.
Volgens de rechtbank diende de accountant de aangiften in terwijl hij wist dat die niet met de werkelijkheid strookten. Een ondernemer moet weten dat na verzending van een factuur waarop belasting staat, die belasting moet worden aangegeven en afgedragen. Bij een accountant wordt die kennis volgens de rechtbank verondersteld. Bovendien had de accountant ter zitting bevestigd dat hij dit wist.
Dat hij het ontvangen bedrag inmiddels als een lening beschouwde, verandert dat niet. De accountant wist volgens de rechtbank dat hij, wanneer de factuur ten onrechte was verzonden, een creditfactuur had moeten opmaken en een leningsovereenkomst had moeten laten opstellen. Dat gebeurde ook later niet. Het kantoor bleef daardoor belastingplichtig over het factuurbedrag. De rechtbank concludeert dat het niet opnemen van de omzet in de aangiften, mede gelet op het beroep van de accountant, “redelijkerwijs niet anders dan een bewuste keuze” kan zijn geweest.
Feitelijk leidinggeven
Vervolgens beoordeelt de rechtbank afzonderlijk de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van het boekhoudkantoor en die van de accountant. De gedragingen vonden volgens de rechtbank plaats in de sfeer van de rechtspersoon: ze pasten binnen de normale bedrijfsvoering en waren het kantoor dienstig, omdat daardoor minder belasting werd afgedragen. Daarmee heeft de rechtspersoon zelf de verboden gedragingen begaan.
De accountant was op zijn beurt als enige verantwoordelijk voor de boekhouding en het indienen van de aangiften en was ten tijde van de feiten enig aandeelhouder en bestuurder. Gelet op zijn eigen gedragingen en zijn rol binnen het kantoor acht de rechtbank bewezen dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de door de rechtspersoon gepleegde fiscale delicten.
Daarmee is bewezen dat hij feitelijk leiding gaf aan het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2016 en een onjuiste aangifte vennootschapsbelasting over 2016, terwijl die gedragingen ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.
61.500 euro te weinig belasting
In totaal werd volgens de rechtbank 61.500 euro te weinig belasting geheven. Bij de strafoplegging rekent de rechtbank het de accountant aan dat hij de verantwoordelijkheden die de wet aan een ondernemer stelt niet serieus heeft genomen en zijn eigen financiële gewin voor ogen heeft gehad.
De accountant voerde aan dat hij destijds onder grote externe druk stond en dat het hem op dat moment niet uitmaakte hoe hij van zijn problemen afkwam. Volgens de rechtbank heeft hij daarmee echter zichzelf, zijn bedrijf en zijn klanten blootgesteld aan “enorme (fiscale en strafrechtelijke) risico’s.” Ook toen later weer relatieve rust was teruggekeerd, heeft hij die risico’s niet beperkt of ongedaan gemaakt. Hij nam volgens de rechtbank eerder de houding aan dat “het zo wel los zou lopen”. Juist gezien zijn toenmalige functie als accountant wordt hem die houding aangerekend.
Het Openbaar Ministerie eiste een taakstraf van 60 uur. De rechtbank halveert die straf onder meer vanwege de forse overschrijding van de redelijke termijn. Als aanvangsmoment neemt de rechtbank de FIOD-doorzoekingen van 14 oktober 2021. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar was die bij het vonnis met twee jaar, elf maanden en één dag overschreden. Bovendien dateren de strafbare feiten inmiddels van meer dan acht jaar geleden.
De strafzaak heeft daarnaast ingrijpende gevolgen gehad voor de accountant. Hij heeft volgens het vonnis invoelbaar naar voren gebracht dat zijn leven blijvend is veranderd en dat hij onder meer heeft moeten stoppen als accountant. Uit zijn justitiële documentatie blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld. De rechtbank komt uiteindelijk tot een taakstraf van 30 uur, bij niet uitvoeren te vervangen door vijftien dagen hechtenis.
Vervolging ondanks benadeling onder ton
De verdediging probeerde eerder nog het Openbaar Ministerie buiten de deur te houden. Volgens de advocaat was het AAFD-protocol niet nageleefd, onder meer omdat het fiscale benadelingsbedrag lager was dan 100.000 euro. Ook zou bij de doorzoeking van het bedrijfspand door de FIOD een onevenredig zware politiemacht zijn ingezet.
De rechtbank verwerpt beide argumenten. Het AAFD-protocol maakt ook bij een lager benadelingsbedrag strafrechtelijke afdoening mogelijk als sprake is van een vermoeden van opzet. Bovendien wordt de hoedanigheid van accountant expliciet genoemd bij de aanvullende wegingscriteria. Dat de FIOD bij de doorzoeking een team bijzondere bijstand inzette, levert volgens de rechtbank evenmin een vormverzuim op. Financiële onderzoeken kunnen veiligheidsrisico’s opleveren en vooraf is niet bekend wat op een locatie wordt aangetroffen. Dat de accountant aan de doorzoeking meewerkte, maakt de inzet daarom niet buitensporig.
Ook het boekhoudkantoor zelf werd in een afzonderlijk vonnis veroordeeld voor het opzettelijk doen van de twee onjuiste aangiften. De rechtbank rekent het kantoor aan dat daarmee in totaal 61.500 euro te weinig belasting is geheven. Vanwege dezelfde forse termijnoverschrijding, de ouderdom van de feiten en de omstandigheden die zich nadien hebben voorgedaan, bepaalt de rechtbank echter dat aan de rechtspersoon geen straf of maatregel wordt opgelegd. Het kantoor verricht inmiddels geen werkzaamheden meer.
Rechtbank Oost-Brabant, ECLI:NL:RBOBR:2026:6597 (vennootschap) & ECLI:NL:RBOBR:2026:6599 (accountant)
