De AG oordeelt dat in een zaak over navorderingen inkomstenbelasting over 2015 en Zorgverzekeringswet 2016. De betrokken belastingbetaler had tot twee keer toe een herziene aangifte ingediend en bezwaar gemaakt tegen de tweede naheffingsaanslag omdat daarin ten onrechte ook de eerste correctie zou zijn meegenomen. Ook maakte hij bezwaar tegen de in 2020 in rekening gebrachte belastingrente. Tot half 2020 gold een wettelijk vastgelegde belastingrente van minimaal 4% voor niet-vennootschapsbelastingzaken.
De belastingbetaler stapte naar de rechter vanwege (onder meer) de hoogte van het belastingrentepercentage. Die is in strijd met het eigendomsrecht dat is vastgelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM). Bij rechter en gerechtshof vond hij geen gehoor.
De advocaat-generaal overweegt dat de belastingrente in deze zaak mede is berekend over de periode van 1 juli 2017 tot 1 juli 2020. In die periode was de belastingrente vastgesteld op ten minste 4%, conform de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
Element van willekeur
De rechtszaak is verwant aan een andere zaak over de rechtmatigheid van de belastingrente in de vennootschapsbelasting. Daarover meldde Koopman op 26 september zijn conclusie dat de belastingrente van 8% omlaag moet. Hier gaat het om een in de AWR vastgestelde rente van 4% voor niet-vennootschapsbelastingzaken. Maar in de eerdere zaak liet de AG al weten dat ook die rente van ten minste 4% een element van willekeur in zich draagt. “In het algemeen geldt dat bij een toetsing aan artikel 1 EP EVRM ‘willekeur’ geldt als een diskwalificerende typering. Daarom kan inderdaad worden gezegd dat de belastingrenteregeling op stelselniveau de door artikel 1 EP EVRM geëiste ‘fair balance’ niet respecteert.”
Niet stelselmatig buitensporig
Maar de AG vindt toch niet dat er sprake is van schending van het mensenrechtenverdrag. “Daarvoor is nodig dat belastingplichtigen worden geconfronteerd met een last die niet alleen disproportioneel is, maar daarnaast ook buitensporig zwaar.” En de AG is er niet van overtuigd dat 4% stelselmatig buitensporig zwaar is. “Dat neemt niet weg dat in een bijzonder geval de belastingrente voor iemand een individuele buitensporige last kan opleveren en dat de rente op die grond voor hem individueel op een lager percentage moet worden gesteld. Maar dat is in deze zaak niet aan de orde. Op stelselniveau is het in de AWR neergelegde rentepercentage van 4% daarom naar de opvatting van de AG niet strijdig met artikel 1 EP EVRM. De cassatieklachten van belanghebbende op dit punt slagen dan ook niet.”
Voordeel van ruim een euro
Het draait in deze kwestie om relatief kleine bedragen van enkele honderden euro’s. De belastingplichtige maakt wel met succes bezwaar tegen het hanteren van 4% rente voor de belastingrente over de periode 1 oktober tot en met 20 oktober 2020 bij de aanslagoplegging van 26 september 2020. Toen gold namelijk nog een rentepercentage van 0,01 in verband met de coronacrisis. Pas op 30 september 2020 is bekendgemaakt dat de belastingrente met ingang van 1 oktober 2020 werd gesteld op ten minste 4%. “Op het moment waarop de Inspecteur de belastingrentebeschikking nam, was het nieuwe besluit dus nog niet bekendgemaakt en ook nog niet in werking getreden.” De bezwaarmaker krijgt gelijk op dit punt en dat levert een voordeel op van € 1,22, wat de AG betreft.
Het is nog niet bekend wanneer de Hoge Raad uitspraak doet.
