Constructie met fictieve facturen
De verdachte maakte zich volgens de rechtbank samen met zijn vader schuldig aan het opstellen van valse facturen vanuit een eenmanszaak. Die facturen werden verstuurd naar verschillende bedrijven en bevatten verzonnen werkzaamheden, data en kostenposten. Op die manier werd de herkomst van aanzienlijke geldbedragen verhuld. In totaal ging het om ruim € 365.000 aan geldstromen die volgens de rechtbank uit misdrijf afkomstig waren. De rechtbank kwalificeert het handelen als medeplegen van valsheid in geschrift (art. 225 Sr), en medeplegen van gewoontewitwassen, gepleegd in de uitoefening van een beroep (art. 420bis en 420ter Sr).
Ernst strafbare feiten
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De verdachte heeft samen met zijn vader er een gewoonte van gemaakt het witwassen van geld in de uitoefening van zijn beroep als boekhouder en vanuit twee bedrijven. Dit deden zij door de werkelijke aard en herkomst van het geld te verhullen door valselijk facturen van een eenmanszaak gericht aan verschillende bedrijven op te maken. “Hiermee hebben de verdachten een grote hoeveelheid van misdrijf afkomstig geld in de economie gepompt”, oordeelt de rechtbank. “Dit witwassen vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Daarnaast werkt het faciliterend voor ander strafbaar handelen. Ook wordt hierdoor de Staat, en daarmee dus ook de samenleving, benadeeld, omdat over die criminele inkomsten geen belasting wordt betaald.”
“Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte door facturen te vervalsen ten behoeve van het witwassen”, luidt het oordeel. “Door deze vervalste geschriften op te maken en door anderen te doen gebruiken heeft verdachte het vertrouwen, dat in het financiële en economisch verkeer in dergelijke stukken moet kunnen worden gesteld, geschaad.”
Eigen boekhoudbedrijf
De rechtbank houdt er bij het bepalen van de strafmaat rekening mee dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Verder heeft hij op de terechtzitting naar voren gebracht “dat hij een eigen boekhoudbedrijf heeft en de zorg draagt voor zijn vijftienjarige dochter. Binnen zijn bedrijf is maakt hij gebruik van gecertificeerde programma’s om te voorkomen dat hij nogmaals in een soortgelijke situatie terecht komt. Verdachte heeft toegelicht veel last te ondervinden van de lopende strafzaak en spijt te hebben van zijn daden. Hij wenst het te kunnen afsluiten.”
Procesafspraken
De uiteindelijke straf is relatief mild. Dat heeft alles te maken met de procesafspraken die de verdachte en het Openbaar Ministerie voorafgaand aan de zitting hebben gemaakt:
“Gelet op het voorgaande zou de rechtbank in beginsel een forse (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden achten. De rechtbank is van oordeel dat het afdoeningsvoorstel in onderhavige zaak nopen tot een andere afweging die resulteert in een lagere straf. Zij overweegt daartoe als volgt. Een matiging van de straf in dit geval is gerechtvaardigd, omdat verdachte heeft meegewerkt aan een procedure die uiteindelijk tot efficiëntere rechtspleging heeft geleid. De verdediging heeft geen onderzoekswensen ingediend, waardoor de rechter-commissaris geen verder onderzoek heeft moeten verrichten. De behandeling van de strafzaak tijdens het onderzoek ter zitting is voortvarend verlopen, nu als gevolg het afdoeningsvoorstel geen inhoudelijke verweren zijn gevoerd. Bovendien wordt door naleving van de overeenkomst een hoger beroep voorkomen. Dit levert veel tijdswinst op en bespaart kostbare zittingscapaciteit. Naast deze proceseconomische belangen zorgt deze procedure er ook voor dat zaken eerder onherroepelijk zijn en opgelegde straffen sneller kunnen worden geëxecuteerd. Het afdoeningsvoorstel doet daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.
De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat de straf die in het afdoeningsvoorstel overeengekomen is onder de gegeven omstandigheden in redelijke verhouding staat tot de ernst en omvang van de feiten, alsook de rol die verdachte daarin heeft vertolkt. Daarnaast is de hoogte van de overeengekomen straf in soortgelijke zaken geen uitzondering. De in het afdoeningsvoorstel overeengekomen straf wordt door rechtbank in deze zaak als een passende vorm van strafafdoening beschouwd.”
De verdachte krijgt uiteindelijk een taakstraf van 200 uur, een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden (proeftijd twee jaar) en een geldboete van € 35.000.
