De werknemer kwalificeert op grond van zowel Italiaans als Nederlands recht als fiscaal inwoner van Italië. Voor hem is de 30%-regeling toegekend voor de periode van 1 september 2008 tot en met 31 augustus 2018. Per 31 december 2016 eindigt zijn uitzending bij de bv en gaat hij met pensioen.
De inspecteur laat de bv weten dat hij wil afwijken van de ingediende aangiften loonheffingen. Bij de berekening van de pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding als bedoeld in artikel 32bb Wet LB gaat de inspecteur niet uit van het wereldinkomen van de werknemer, maar van het deel van het loon dat in Nederland wordt belast. Hij legt daarop over 2016, 2018 en 2019 naheffingsaanslagen loonheffingen op van in totaal 2.979.605 euro. De bv maakt bezwaar, maar de inspecteur verklaart de bezwaren ongegrond.
Woonplaats werknemer niet beslissend
Volgens de bv komt het heffingsrecht over de vertrekvergoeding op grond van artikel 15, eerste lid, van het belastingverdrag Nederland-Italië volledig toe aan Italië. De werknemer woonde op 31 december 2016, de laatste dag van de dienstbetrekking, immers in Italië.
Rechtbank Den Haag volgt dat standpunt niet. Aan de pseudo-eindheffing liggen daadwerkelijk genoten loonbestanddelen ten grondslag, namelijk een vertrekvergoeding en nabetalingen van loon. Voor zover de heffing over die loonbestanddelen op grond van het verdrag aan Nederland is toegewezen, volgt de pseudo-eindheffing die toewijzing. De woonplaats van de werknemer op het moment waarop de dienstbetrekking eindigde, is daarbij volgens de rechtbank niet beslissend.
Besluit uit 2001 helpt bv niet
De bv stelt daarnaast dat artikel 2, vijfde lid, Wet LB niet van toepassing is bij het vaststellen van het toetsloon. Volgens de bv moet voor dat toetsloon worden uitgegaan van het wereldloon dat de werknemer in 2014 heeft genoten. Daarbij verwijst de bv naar het Besluit van 30 november 2001. Daarin stond dat een inhoudingsplichtige die verwacht dat een dienstbetrekking niet in Nederland wordt vervuld, mag afzien van inhouding.
De rechtbank gaat daar niet in mee. Het besluit uit 2001 is inmiddels ingetrokken. Bovendien ziet het besluit volgens de rechtbank niet op deze situatie, waarin sprake is van een dienstbetrekking die gedeeltelijk buiten Nederland is vervuld. Ook uit de wettekst en het ingetrokken besluit volgt niet dat de inhoudingsplichtige op dit punt een keuze heeft.
De rechtbank verwerpt ook het standpunt dat voor het loonbegrip van artikel 10 Wet LB van het wereldwijde loon moet worden uitgegaan. Het loonbegrip in artikel 32bb, derde en vierde lid, Wet LB is niet afzonderlijk gedefinieerd of afgebakend. Binnen het systeem van de Wet LB betekent dit dat wordt aangesloten bij het loonbegrip zoals dat in hoofdstuk II van de Wet LB is uitgewerkt.
Voor personen die niet in Nederland wonen, geldt op grond van artikel 2, vijfde lid, Wet LB een beperkt werknemersbegrip. Bij een in het buitenland wonende werknemer wordt daarom alleen het loon dat verband houdt met Nederlandse werkzaamheden in de loonheffing betrokken.
Pseudo-eindheffing volgt loonbestanddelen
In hoger beroep sluit Hof Den Haag zich aan bij de inspecteur. De grondslag voor de pseudo-eindheffing wordt bepaald aan de hand van de loonbestanddelen die in de relevante jaren in de heffing zijn betrokken. Het gaat om loon uit het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd, het daaraan voorafgaande kalenderjaar en de daaropvolgende kalenderjaren.
Voor zover het belastingverdrag Nederland-Italië de heffing over die loonbestanddelen aan Nederland toewijst, volgt de pseudo-eindheffing die verdragsrechtelijke toewijzing. Dat de werknemer op de einddatum van de dienstbetrekking in Italië woonde, maakt dat volgens het hof niet anders.
Ook het standpunt van de bv dat het toetsloon moet worden gesteld op het wereldloon van de werknemer, ongeacht de verdragsrechtelijke heffingsverdeling, slaagt niet. De bv betoogt dat artikel 2, vijfde lid, Wet LB geen invloed heeft op de vaststelling van het toetsloon, maar het hof volgt die uitleg niet.
Hof verwijst naar Hoge Raad
Het hof leidt uit een arrest van de Hoge Raad af dat de begrippen loon, werknemer en inhoudingsplichtige in artikel 32bb Wet LB dezelfde betekenis hebben als elders in de Wet LB. Het toetsloon is dus niet alleen een rekeneenheid, maar sluit aan bij de wettelijke betekenis van die begrippen.
Volgens het hof werkt artikel 2, vijfde lid, Wet LB daarom door bij de bepaling van het toetsloon. Die bepaling ziet op gevallen waarin een niet in Nederland wonende werknemer zijn dienstbetrekking geheel of gedeeltelijk in Nederland vervult. Voor zover iemand voor een deel van zijn werkzaamheden niet als werknemer wordt beschouwd, kan in zoverre ook geen sprake zijn van loon uit dienstbetrekking in de zin van artikel 10 Wet LB.
In dit geval betekent dit dat de werknemer alleen als werknemer wordt aangemerkt voor zover het belastingverdrag het heffingsrecht over zijn loon aan Nederland toewijst. Het hof oordeelt daarom dat bij de bepaling van het toetsloon niet van het wereldloon moet worden uitgegaan, maar van het loon voor zover de werknemer onder het beperkte werknemersbegrip van artikel 2, vijfde lid, Wet LB valt.
Geen strijd met vrij verkeer werknemers
Het hof ziet ook geen schending van het vrije verkeer van werknemers als bedoeld in artikel 45 VWEU. Volgens het hof zijn de situatie van een inwoner van Nederland en die van een niet-inwoner voor toepassing van artikel 32bb Wet LB niet objectief vergelijkbaar.
Bij een niet-inwoner wordt aangesloten bij de beperkte heffingsbevoegdheid van Nederland als werkstaat. Daar hoort een beperkt werknemersbegrip en een daarop gebaseerd toetsloon bij. Bij inwoners geldt juist een onbeperkt werknemersbegrip, omdat Nederland als woonstaat in beginsel onbeperkt heffingsbevoegd is. Van directe of indirecte discriminatie naar nationaliteit is volgens het hof dan ook geen sprake.
Het hoger beroep is ongegrond. De naheffingsaanslagen blijven in stand.
Gerechtshof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2026:1809
