Volgens de voorzieningenrechter heeft het kantoor voldoende meegewerkt aan het cliëntenonderzoek van de bank en heeft Rabobank onvoldoende onderbouwd dat zij haar wettelijke verplichtingen uit de Wwft niet kon nakomen.
Het kort geding was aangespannen door een vof die tot oktober 2024 handelde onder de naam LDB Administratie & Advies. Een van de twee vennoten exploiteerde daarnaast een hypotheekadviespraktijk waarvoor hij beschikte over een Wft-vergunning van de AFM. In februari 2024 opende de onderneming een zakelijke rekening en een bedrijfsspaarrekening bij Rabobank.
Vragen over rol in fraudeonderzoek
Aanleiding voor het geschil met de bank was een artikel dat in juli 2024 in het Financieele Dagblad verscheen over een crimineel netwerk dat volgens justitie via valse documenten honderden hypotheken zou hebben verkregen. De publicatie leidde ertoe dat Rabobank een cliëntenonderzoek startte op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft).
Rabobank stelde de klant in oktober 2024 vragen over de betrokkenheid bij het onderzoek. De onderneming antwoordde dat een van haar zakelijke relaties als hoofdverdachte werd aangemerkt en dat meer dan dertig partijen waren verhoord, waaronder het kantoor zelf en de hypotheekadviespraktijk van een van de vennoten:
“Wat betreft de onderzoek naar grootschalige hypotheekfraude kan ik het volgende vermelden. Wij doen met meer dan 300 partijen zaken, die actief zijn in de woningmarkt. Denk hierbij aan makelaars, taxateurs, bouwkundig inspecteurs, notarissen en administratiekantoren. In het kader van de onderzoek hebben we te horen gekregen dat een van deze zakelijke relaties de hoofdverdachte is in deze. Tot op heden zijn meer dan 30 partijen verhoord, waaronder Max Hypotheken en LDB Administratie en Advies, die in de afgelopen jaren zaken hebben gedaan met de hoofdverdachte. Wij hebben netjes onze administratie opengesteld en ons is verteld dat het onderzoek naar de hoofdverdachte nog enige tijd in beslag zal nemen. We hebben te horen gekregen dat we het proces af moeten wachten en vanzelf een reactie zullen ontvangen, zodra er meer bekend is. Dit is wat ik voor zover kan vertellen over het onderzoek. Ik mag helaas geen officiële stukken over het proces met wie dan ook delen.”
Toen Rabobank vervolgens vroeg of het kantoor als verdachte was aangehouden en om documenten vroeg die meer duidelijkheid konden verschaffen over de status van het strafrechtelijke onderzoek, antwoordde de onderneming niet te beschikken over officiële stukken of een strafdossier:
“(…) Met grote spijt moeten wij u informeren dat onze onderneming momenteel betrokken is bij een landelijk omvangrijk en diepgaand onderzoek dat wordt uitgevoerd door autoriteiten. Wij betreuren het ten zeerste dat onze onderneming onvrijwillig in deze situatie verzeild is geraakt. Hoewel we alles in het werk stellen om volledige medewerking te verlenen, betreuren wij dat onze naam in verband wordt gebracht met dit grootschalige onderzoek. We willen benadrukken dat de focus van dit onderzoek voornamelijk ligt op andere ondernemingen binnen de vastgoedsector. Onze betrokkenheid in deze zaak heeft ons diep geraakt, en we realiseren ons de impact die dit kan hebben op het vertrouwen dat de bank in ons stelt. Wij blijven ons volledig inzetten om onze integriteit te bewaken en onze relaties te informeren zodra er nieuwe inzichten zijn die relevant zijn voor onze dienstverlening. Wij hechten grote waarde aan transparantie en integriteit en werken vanzelfsprekend op een constructieve en volledige wijze samen met alle betrokken instanties om dit proces te faciliteren. Onze organisatie neemt deze ontwikkeling zeer serieus, en we zetten alles op alles om de situatie zo spoedig mogelijk op te helderen. (…)”
Rabobank vond de antwoorden onvoldoende. Volgens de bank bleef onduidelijk wat de rol van het kantoor was in het fraudeonderzoek en kon niet worden uitgesloten dat via de bankrekeningen gelden waren ontvangen die afkomstig waren uit criminele activiteiten. In december 2024 concludeerde Rabobank dat de vereiste vertrouwensrelatie ontbrak. De zaak werd overgedragen aan de afdeling Offboarding en in januari 2025 volgde de opzegging van de bankrelatie. Rabobank zegde de klant wel toe de bankrelatie voort te zetten totdat vonnis in kort geding zou worden gewezen.
Standpunten
Volgens het belastingadvies- en administratiekantoor was de opzegging van de bankrelatie onterecht. Het kantoor stelde alle vragen van Rabobank in het kader van het cliëntenonderzoek zo volledig mogelijk te hebben beantwoord en niet meer informatie te kunnen verstrekken dan waarover het beschikte. Daarbij beriep het zich op de onschuldpresumptie. Daarnaast stelde het kantoor dat het vrijwel onmogelijk is om elders een zakelijke bankrekening te openen. Zonder toegang tot het bancaire systeem zou het zijn bedrijfsactiviteiten niet kunnen voortzetten, zodat het belang bij behoud van de bankrelatie volgens het kantoor zwaarder moest wegen dan het belang van Rabobank bij beëindiging daarvan.
Rabobank stelde daartegenover op grond van artikel 5 lid 3 Wwft verplicht te zijn de relatie te beëindigen omdat het wettelijk vereiste cliëntenonderzoek niet kon worden afgerond. Volgens de bank was de rol van het kantoor en de voormalige hypotheekadviespraktijk in de negatieve berichtgeving over de hypotheekfraudezaak onvoldoende verklaard. Daarnaast beriep Rabobank zich op haar contractuele opzeggingsbevoegdheid uit artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden. Volgens de bank was sprake van ernstige integriteits- en reputatierisico’s en had het kantoor onvoldoende transparantie betracht en onvoldoende medewerking verleend, waardoor het vertrouwen was weggevallen. Rabobank stelde verder dat de onderneming onvoldoende inspanningen had verricht om elders een zakelijke rekening te openen.
Cliëntenonderzoek wel afgerond
De voorzieningenrechter volgt het standpunt van Rabobank niet. Vast staat inmiddels dat het belastingadvies- en administratiekantoor daadwerkelijk verdachte is in het strafrechtelijk onderzoek. Dat blijkt uit een verklaring van de strafrechtadvocaat van het kantoor en werd tijdens de zitting bevestigd.
Toch betekent dat volgens de rechtbank niet dat Rabobank het cliëntenonderzoek niet kon afronden. Volgens de rechter heeft het kantoor meegewerkt aan het onderzoek en alle gestelde vragen beantwoord. Dat geldt ook voor de vragen over de hypotheekfraudezaak, al waren de antwoorden niet altijd zo concreet als Rabobank had gewenst.
De rechter acht aannemelijk dat een van de vennoten ervan uitging dat zijn mededeling dat het kantoor was verhoord voldoende duidelijk maakte dat sprake was van een verdachtepositie. Daarbij weegt mee dat hij niet eerder betrokken was geweest bij een strafzaak. Verder kan het kantoor niet worden tegengeworpen dat het geen stukken heeft overgelegd waarover het niet beschikt.
Omdat het kantoor de beschikbare informatie heeft verstrekt, kan Rabobank volgens de voorzieningenrechter niet volhouden dat het cliëntenonderzoek niet met goed gevolg kon worden afgerond. Daarmee vervalt ook de grondslag voor beëindiging van de bankrelatie op basis van artikel 5 lid 3 Wwft.
Onschuldpresumptie weegt mee
Ook de subsidiaire grondslag voor beëindiging, de contractuele opzeggingsbevoegdheid uit artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden, houdt volgens de rechtbank geen stand.
Rabobank voerde aan dat sprake was van een vertrouwensbreuk omdat het kantoor onvoldoende openheid had gegeven over de betrokkenheid bij de fraudezaak. De voorzieningenrechter volgt dat standpunt niet. Volgens het vonnis heeft het kantoor de vragen van de bank beantwoord en niet verzwegen dat het verdachte is in het onderzoek.
Rabobank verwees daarnaast naar berichten over explosies bij het bedrijfspand van het kantoor en de voormalige hypotheekadviespraktijk. De rechtbank ziet daarin echter geen aanwijzing voor betrokkenheid bij hypotheekfraude. Het kantoor had juist aangifte gedaan van brandstichting en vernieling. Bovendien blijkt uit politie-informatie dat zich in de omgeving meer gevallen van vandalisme hadden voorgedaan.
Ook het feit dat de AFM-vergunning van de hypotheekadviespraktijk eind 2024 op verzoek van een van de vennoten werd ingetrokken, kan volgens de rechtbank geen rol spelen. Het cliëntenonderzoek van Rabobank was toen al afgerond. Bovendien staat niet vast dat de vergunning vanwege het fraudeonderzoek werd ingeleverd.
Een belangrijk onderdeel van het vonnis betreft de betekenis van de onschuldpresumptie. De rechtbank benadrukt dat een klant voor onschuldig moet worden gehouden totdat schuld vaststaat. Dat beginsel werkt volgens de rechter door in de zorgplicht van banken. Een enkele strafrechtelijke verdenking vormt daarom onvoldoende basis om een bankrelatie te beëindigen. Anders ligt dat wanneer een bank beschikt over concrete aanwijzingen voor betrokkenheid bij strafbare feiten en daarover gerichte vragen stelt.
Volgens de voorzieningenrechter ontbraken dergelijke concrete aanwijzingen in deze zaak. Rabobank wees wel op de mogelijkheid dat een administratiekantoor betrokken kan zijn bij het opstellen van valse documenten voor hypotheekaanvragen, maar beschikte niet over specifieke informatie waaruit blijkt dat dit kantoor daarbij daadwerkelijk een rol heeft gespeeld. Volgens de rechtbank baseerde de bank haar zorgen uiteindelijk uitsluitend op de verdenking zelf.
Belang bij toegang tot betalingsverkeer
Bij de belangenafweging speelde ook het belang van het kantoor bij toegang tot het bancaire systeem een rol. Volgens het kantoor is het vrijwel onmogelijk om elders een zakelijke rekening te openen en zou beëindiging van de bankrelatie de continuïteit van de onderneming ernstig in gevaar brengen.
Rabobank stelde daartegenover dat onvoldoende was aangetoond dat andere banken geen rekening wilden verstrekken. De voorzieningenrechter volgt dat standpunt niet. Volgens het vonnis is aannemelijk dat een EVR-registratie van een van de vennoten het openen van een nieuwe rekening aanzienlijk bemoeilijkt. Dat Rabobank erop wees dat de onderneming haar structuur zou kunnen aanpassen zodat de betreffende vennoot geen vennoot meer is, biedt volgens de rechtbank geen oplossing op korte termijn.
Alles afwegend kent de voorzieningenrechter meer gewicht toe aan het belang van het kantoor bij behoud van de bankrekening dan aan het belang van Rabobank bij beëindiging van de relatie.
De rechtbank veroordeelt Rabobank daarom de bankrelatie, inclusief de zakelijke rekeningen en incassofaciliteiten, voort te zetten. Volgens de voorzieningenrechter was de bank “te vroeg” met het besluit de relatie te beëindigen. Dat oordeel kan anders uitvallen wanneer in het lopende strafrechtelijke onderzoek meer informatie beschikbaar komt over de rol van het kantoor.
