DNB heeft een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de manier waarop vijf Nederlandse banken de Wwft toepassen bij klanten met een laag risico op witwassen. “Uit de verkenning blijkt dat banken zich bewust zijn van het belang van proportionaliteit, maar belemmeringen ervaren in de uitvoering. DNB ziet mogelijkheden voor meer maatwerk en samenwerking in de keten.”
Klachten over proportionaliteit
De witwascontroles schoten in het verleden nog weleens tekort bij de grote banken, wat resulteerde in megaboetes. Banken zijn vervolgens fors gaan inzetten op de Wwft-naleving. DNB wilde weten of dat geen onnodige klantbelasting, belemmeringen bij toegang tot betalingsverkeer, operationele druk en (indirecte) discriminatie met zich heeft meegebracht. “Vooral bij laagrisicosituaties is niet altijd duidelijk of de toepassing proportioneel is. Klachten die bij DNB binnenkomen en andere signalen roepen de vraag op of de toepassing van de Wwft in dergelijke gevallen in verhouding staat tot het witwasrisico.”
Welwillendheid, maar toch belemmeringen
DNB richtte zich bij het onderzoek op vier specifieke klantgroepen: goede doelen en religieuze organisaties, Verenigingen van Eigenaren (VvE’s), klein mkb/retail en Politically Exposed Persons (PEP’s). “Uit de verkenning blijkt dat banken zich bewust zijn van het belang van proportionaliteit en op dit gebied al concrete stappen zetten. Banken tonen welwillendheid om maatregelen beter af te stemmen op het risicoprofiel van hun klanten. Tegelijkertijd ervaren instellingen belemmeringen. Dit kan ertoe leiden dat maatregelen in de praktijk zwaarder uitvallen voor klanten dan strikt noodzakelijk, wat kan resulteren in disproportionele klantbelasting en inefficiëntie.”
Strikte naleving niet altijd beste keuze
De toezichthouder realiseert zich dat belemmeringen nauw samenhangen met de spanningsvelden binnen een risicogebaseerde aanpak. “Het vellen van een professioneel oordeel brengt soms mee dat uit voorzorg extra vragen worden gesteld of een hogere risicoclassificatie wordt toegekend, zelfs bij een goed risicobeeld. Dit staat op gespannen voet met proportionaliteit.” Een gedegen risicoafweging vereist voldoende klantinformatie om een compleet beeld te vormen en de Wwft na te leven. “Het streven naar volledigheid kan echter leiden tot administratieve lasten en frequente klantvragen, wat wringt met klantgerichtheid en efficiëntie – met name waar de informatie die gevraagd wordt verder gaat dan nodig is om dit beeld te vormen of dan de wet vereist.”
In de praktijk blijken banken vaak de nadruk te leggen op strikte naleving van regels en procedures. “Analisten ervaren niet altijd de ruimte om zelfstandig professionele afwegingen te maken. Dit kan in sommige gevallen leiden tot risicoavers gedrag.” Zo wordt dan bijvoorbeeld eerder voor een hogere risicoclassificatie gekozen omdat controles zich eerder richten op situaties waarin mogelijk ten onrechte een laag risiconiveau is toegekend dan andersom. “Terugkoppelingen vanuit deze functies lijken hierdoor een opdrijvend effect te hebben op de risicoclassificatie van klanten.”
Risico-indicatoren die instellingen moeten ondersteunen bij het inschatten van risico’s worden soms geïnterpreteerd als directe aanleiding voor actie. “Het vaststellen van één risico-indicator in een dossier leidt dan automatisch tot aanvullende maatregelen, los van het totale klantbeeld en het risico.”
Expertise
Kennis en expertise van medewerkers zijn cruciaal voor een passende klantbehandeling, benadrukt DNB. “Bijvoorbeeld wanneer het gaat om specifieke klantgroepen zoals religieuze instellingen en stichtingen. Een goed begrip van de aard, context en activiteiten van deze klanten is essentieel om hun risico’s zorgvuldig en proportioneel te kunnen beoordelen.”
Uit de verkenning blijkt dat VvE’s en klein mkb/retail meestal als ‘laag risico’ worden geclassificeerd. Bij goede doelen en vooral PEP’s is er meer variatie zichtbaar. “Waar klanten niet als hoog risico worden ingeschaald komt aanvullende klantbelasting niet alleen voort uit de risicoclassificatie, maar ook uit interne werkwijzen, interpretatie van risicofactoren, toezichtprocessen en verschillen in klantenbestanden.”
Maatwerk leidt tot meer proportionaliteit
Banken hanteren voor goede doelen en religieuze organisaties een risicogebaseerde benadering, waarbij veel organisaties als laag of midden risico worden geclassificeerd. “Daar waar banken gespecialiseerde teams inzetten en aangepaste processen toepassen, blijkt uit de verkenning dat dit leidt tot een meer proportionele toepassing van de Wwft. Dit vermindert niet alleen klantbelasting, maar verhoogt ook de efficiëntie en effectiviteit van het onderzoek.” Een vraag die zich in de praktijk aandient, is bijvoorbeeld of een stichting of kerk met vastgoed moet worden aangemerkt als een zakelijke relatie met zakelijk vastgoed. Zo’n kwalificatie doet niet altijd recht aan de situatie: “De vraag die de bank zich stelt is in hoeverre het proportioneel is om deze activiteiten als zakelijke vastgoedactiviteiten te bestempelen, met de bijbehorende intensieve informatievereisten.”
VvE’s worden door banken meestal als laag risico geclassificeerd vanwege hun transparante rechtsvorm, beperkte financiële omvang en duidelijk doel. Een knelpunt is dat VvE’s geen UBO’s hoeven te registreren, terwijl banken die wel moeten identificeren. “Praktijkvoorbeelden laten zien dat aangepaste UBO-verklaringen en het bundelen van informatieverzoeken bijdragen aan een meer proportionele werkwijze en efficiënter klantcontact.”
Hoewel banken geen specifiek beleid hanteren, erkennen ze retail- en kleinere mkb-klanten steeds vaker als laag risico. “In de praktijk worden ook geautomatiseerde beoordelingen ingezet, mits de omzet onder een bepaalde grens blijft en geen aanvullende risicofactoren aanwezig zijn. Voor transacties met goederen van hoge waarde geldt een waardedrempel voor aanvullend onderzoek.” Met name in horeca en detailhandel kan een contante geldstroom leiden tot intensieve vragen die klantrelaties verstoren en middelen verspillen.
Maatregelen in verhouding
Mogelijkheden om een meer proportionele toepassing van de Wwft te bevorderen, zijn volgens DNB het versterken van vakmanschap binnen instellingen, het centraal ontsluiten van relevante informatie, het zorgvuldig hanteren van standaarden en het stimuleren van het professionele oordeel. “Het gaat om het benutten van de ruimte voor risicogerichte oordeelsvorming, niet om het benadrukken van het strikt volgen van procedures of het vermijden van fouten. Het gaat niet om het uitsluiten van alle risico’s, maar om het treffen van maatregelen die in verhouding staan tot het risico.”
Vertrouwen op maatwerk
DNB benadrukt ook het belang van durf en doelgerichtheid. “Dit ziet op het vertrouwen en de bevoegdheid om maatwerk te leveren, ook wanneer dat afwijkt van standaardprocedures. Daarbij hoort ook het besef dat proportioneel werken onvermijdelijk meebrengt dat soms een risico over het hoofd wordt gezien of een inschatting achteraf onjuist blijk. Dit ziet ook op een aansturing die het doel van de Wwft – het beheersen van risico’s met betrekking tot witwassen en financieren van terrorisme – centraal stelt.”
