Een broer en zus hielden in 2020 ieder de helft van de aandelen in een bv waarvan de broer enig bestuurder was. De bv had een dochteronderneming die zich onder meer bezighield met het fokken, houden en verhandelen van paarden en transportactiviteiten. De broer verrichtte voornamelijk transport- en chauffeurswerkzaamheden.
Voor de eerste 50 gewerkte uren per week ontving hij loon van de moeder-bv. De uren die hij daarboven werkte, factureerde hij tegen een tarief van 25 euro per uur via zijn eenmanszaak aan de dochter-bv. In 2020 ontving hij op die manier 22.667 euro aan loon en 23.446 euro via zijn eenmanszaak, in totaal 46.113 euro.
Extra uren apart gefactureerd
De Belastingdienst stelde bij beide vennootschappen een boekenonderzoek in naar onder meer de aangiften loonheffingen over 2019 en 2020. De inspecteur concludeerde dat het gebruikelijk loon van de broer moest worden verhoogd van 22.667 euro tot het wettelijke normbedrag van 46.000 euro.
De moeder-bv kreeg een correctieverplichting opgelegd, maar voldeed daar niet aan. Daarop volgde een naheffingsaanslag loonheffingen over 2020, gebaseerd op een aanvullende looncorrectie van 23.333 euro. De nageheven loonbelasting bedroeg 12.055 euro. Daarnaast legde de inspecteur een vergrijpboete van 6.027 euro op, gelijk aan 50 procent van de nageheven belasting.
De bv vocht de naheffingsaanslag aan. Volgens de onderneming mocht de inspecteur het gebruikelijk loon niet alsnog via de loonbelasting corrigeren, omdat hij bij het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting van de broer geen correctie had aangebracht. Ook beriep de bv zich op het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep ongegrond, waarna de bv in hoger beroep ging.
Keuzevrijheid inspecteur
Volgens gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft de inspecteur in beginsel de keuze om een naheffingsaanslag loonbelasting op te leggen aan de inhoudingsplichtige of het loon te corrigeren in de inkomstenbelasting van degene die het heeft genoten.
Voor naheffing van loonbelasting is geen nieuw feit vereist. Die bevoegdheid kent echter een beperking. Wanneer een ambtelijk verzuim bij de aanslagregeling inkomstenbelasting aan navordering in de weg staat, mag de inspecteur dat verzuim niet alsnog via de loonbelasting herstellen.
Van een dergelijk ambtelijk verzuim was volgens het hof in deze zaak geen sprake. De inspecteur mocht bij het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting in beginsel uitgaan van de juistheid van de aangifte. Alleen wanneer hij bij een normale zorgvuldige beoordeling redelijkerwijs aan de juistheid van de gegevens had moeten twijfelen, was nader onderzoek vereist.
Niet gebleken was dat de inspecteur bij het beoordelen van de aangifte inkomstenbelasting over 2020 aan de juistheid van het opgegeven loon had moeten twijfelen. Dat hij destijds geen gebruikelijklooncorrectie aanbracht, betekende daarom niet dat hij zijn bevoegdheid tot naheffing van loonbelasting had verloren.
Vertrouwensbeginsel
De bv stelde daarnaast dat de inspecteur het vertrouwen had gewekt dat de gebruikelijklooncorrectie van tafel was. De aanslagen vennootschapsbelasting over 2020 waren namelijk conform de ingediende aangiften vastgesteld, zonder rekening te houden met de bevindingen uit het boekenonderzoek.
Volgens de inspecteur waren die aanslagen automatisch vastgesteld doordat tijdens de controle per abuis geen blokkade op de aanslagregeling was gezet. Van een bewuste standpuntbepaling was volgens hem geen sprake.
Het hof oordeelt dat de vaststelling van de aanslagen vennootschapsbelasting redelijkerwijs niet de indruk kon wekken dat ook van naheffing van loonbelasting zou worden afgezien.
Daarbij speelt mee dat een hoger gebruikelijk loon niet tot een hogere kostenaftrek bij de vennootschappen leidde. De bedragen waarover loonbelasting werd nageheven, waren immers al als kosten voor de extra gewerkte uren via de eenmanszaak gedeclareerd.
Ook het feit dat de inspecteur aangekondigde correcties voor andere belastingmiddelen niet had doorgevoerd, kan volgens het hof geen gerechtvaardigd vertrouwen wekken dat naheffing van loonbelasting achterwege zou blijven.
Geen sprake van onzorgvuldigheid
De bv voerde verder aan dat de inspecteur bij verschillende procedures naar aanleiding van de boekenonderzoeken fouten had gemaakt. Dat zou volgens de onderneming moeten leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslag.
Het hof gaat daar niet in mee. Eventuele onzorgvuldigheden bij de behandeling van andere belastingmiddelen, zoals de vennootschapsbelasting, omzetbelasting en inkomstenbelasting, betekenden niet dat ook de naheffingsaanslag loonheffingen onzorgvuldig was opgelegd. Van onzorgvuldigheid bij die naheffing is volgens het hof niets gesteld of gebleken.
Fiscale knip bewust aangebracht
Ook de vergrijpboete is volgens het hof terecht opgelegd. Voor de beloning van de broer was een ongebruikelijke en niet-zakelijk onderbouwde knip gemaakt tussen de werkzaamheden in loondienst en de identieke werkzaamheden die via de eenmanszaak werden gefactureerd.
De rechtbank had daarbij meegewogen dat de bv tijdens de zitting zou hebben verklaard dat de knip uitsluitend om fiscale redenen was aangebracht. In hoger beroep betwistte de bv dat die verklaring was afgelegd. Ook stelde de onderneming dat de constructie geen fiscaal voordeel had opgeleverd, omdat zowel het loon als de inkomsten uit de eenmanszaak in de inkomstenbelasting waren betrokken. De inspecteur wees erop dat op de inkomsten uit de eenmanszaak ondernemersfaciliteiten waren toegepast.
Het hof acht ondanks de betwisting buiten redelijke twijfel dat de broer de knip uitsluitend om fiscale redenen heeft aangebracht. Daarmee heeft de bv willens en wetens een te laag loon aangegeven. De inspecteur heeft volgens het hof overtuigend aangetoond dat sprake was van opzet.
Boete teruggebracht tot 1.500 euro
Toch vindt het hof de opgelegde vergrijpboete van 6.027 euro te hoog. Het hof houdt daarbij rekening met het feit dat de belasting die door de constructie te weinig was of zou zijn geheven, verhoudingsgewijs beperkt was ten opzichte van de boetegrondslag van 23.333 euro.
Daarom wordt de boete verminderd tot 1.500 euro. Het hoger beroep is uitsluitend op dit punt gegrond. De naheffingsaanslag blijft in stand.
De Belastingdienst moet daarnaast het betaalde griffierecht van in totaal 924 euro vergoeden, evenals 1.332 euro aan kosten voor de bezwaarprocedure en 3.736 euro aan proceskosten voor het beroep en hoger beroep.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, ECLI:NL:GHSHE:2026:1945
