Belangrijk is om op te merken dat de Staatssecretaris van Financiën heeft aangegeven dat het tijdspad wat er lag voor het sturen van de uitvoeringsanalyse – juni 2024 – niet haalbaar was en dat te verwachten is dat het inzagerecht uiteindelijk pas na 1 januari 2026 wetgeving kan worden.[1] Hoewel het wetgevingsproces dus nog enkele jaren kan duren, biedt het Eindrapport Verkenning inzage burger en bedrijven dossiers[2] wel een haakje voor de praktijk om in de praktijk alvast ruimer om te gaan met het inzagerecht dan tot nu toe het geval was.
Voordat hierop ingegaan wordt, zal eerst kort worden uitgelegd wat nu precies beoogd wordt met het de uitbreiding van het inzagerecht via artikel 66a AWR. Het aangenomen amendement van Kamerlid Omtzigt heeft als doel om in het hierboven aangehaalde artikel te verankeren dat de inspecteur inzage verleend in de gegevens die betrekking hebben op degene (lees: belastingplichtige of inhoudingsplichtige) die het verzoek doet. Zoals ook beschreven in BTW-bulletin 2024/34 betekent dit dat het amendement kort gezegd het recht regelt op inzage in het ‘fiscale dossier’. Wat onder deze definitie valt is nog niet in beton gegoten, maar de voorlopige definitie die in het hierboven genoemde Eindrapport wordt gehanteerd maakt een parallel met de ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ van art. 8:42 Awb..[3] De voorlopige definitie die het Eindrapport hanteert is als volgt:
Het eigen (fiscale) dossier is de verzameling van gegevens waarin belastingplichtigen /inhoudingsplichtigen eenvoudig, overzichtelijk en duidelijk inzicht kunnen krijgen in de gegevens die ter beschikking staan of gebruikt zijn bij het nemen van besluiten. Deze gegevens worden gekoppeld aan afgeronde, lopende en toekomstige interacties (cq. ‘zaken’) met de Belastingdienst, Toeslagen en Douane. Het eigen (fiscale) dossier bevat zaakdossiers met bijbehorende (zaak)gegevens en overige gegevens
(Onderstreping RS)
Met name het onderstreepte gedeelte laat zien dat de voorlopige definitie aansluit bij het begrip ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’. Het gaat bij dit begrip namelijk vooral om stukken die de inspecteur ter beschikking staan of stonden en die relevant zijn voor het geschil.[4]
Zoals hierboven al aangehaald, biedt het Eindrapport ook ruimte voor de praktijk om alvast vooruit te lopen op de wetgeving. Wij lezen dit vooral als een aanmoediging voor de inspecteur om tot 2026 niet stil te zitten, maar tot die tijd anticiperend op het wetsvoorstel soepeler te zijn met het inzagerecht dan voorheen. Het rapport zegt hier namelijk het volgende over:
Stel vast wat op korte termijn wél mogelijk is om (gedeeltelijke) inzage te faciliteren en welk tijdsbestek onderdeel is van die inzage – bijvoorbeeld alleen ‘zaken’ in komende jaren en dus geen inzage met terugwerkende kracht.[5]
In de Beslisnota bij de Kamerbrief die de staatssecretaris op 28 juni naar de Tweede Kamer heeft gezonden noemt hij dat ondanks de vertraging van het wetgevingsproces er op korte termijn ‘belangrijke stappen’ kunnen worden gezet.[6] Wij onderkennen dit en zien met name als eerste belangrijke stap dat de inspecteur anticipeert op het amendement. Dit betekent een verzoek om het verstrekken van een ‘fiscaal dossier’ in de regel moet worden gehonoreerd.
Hoewel daar tot 2026 geen rechterlijke controle op zit – de mogelijkheid voor bezwaar en beroep tegen de weigering van het verstrekken bestaat immers nog niet – zou het de overheid sieren als dit wel de vaste praktijk wordt. Een praktijk die vooruitloopt op wetgeving dus.
[1] Kamerbrief Staatssecretaris van Financiën van 28 juni 2024 met kenmerk 2024-0000354105.
[3] file (overheid.nl)., p.37.
[4] Beslisnota Kamerbrief proces uitvoeringsanalyse amendement Omtzigt over inzage in het fiscaal dossier van 14 juni 2024, p. 2.
[5] file (overheid.nl), p. 86.
[6] Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, BNB 2018/164.
